Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9893

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
12-3970 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De door de rechtbank gegeven overwegingen kunnen volledig onderschreven worden. Volstaan wordt met een verwijzing daarnaar. Appellant heeft ook in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel kan leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3970 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juni 2012, 12/870 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 30 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.G.M. Haase, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2012. Appellant is, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Haase. Het Uwv heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sinds 1994 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% wegens herhaalde thoractomie vanwege ernstig bulleusemfyseem. Daarnaast is appellant bekend met cervico-brialchie (nek/schouder/armklachten) en lumbago bij status na HNP. Appellant heeft op 13 juni 2007 hervat als schoonmaker parkeergarages bij ISS voor 38 uur per week en is op

6 december 2008 uitgevallen wegens toegenomen klachten. De WAO-uitkering is vervolgens per 3 december 2010 ingetrokken, omdat appellant per die datum alsnog geschikt geacht werd voor zijn (vanaf 13 juni 2007 vastgestelde) maatgevende arbeid van schoonmaker parkeergarages bij ISS voor 38 uur per week. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering.

1.2. Appellant heeft zich vervolgens vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving op 5 september 2011 ziek gemeld in verband met toename van de longklachten, schouderklachten en de nog steeds aanwezige klachten aan de rechterheup. In verband met deze ziekmelding is appellant op 27 oktober 2011 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, die hem met ingang van 4 november 2011 weer geschikt heeft geacht voor zijn maatgevende arbeid. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 28 oktober 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 4 november 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3 Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 8 december 2011 - bij besluit van 21 december 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De verzekeringsartsen hebben bij hun onderzoek de beschikking gehad over de informatie van de orthopedisch chirurg van 29 april 2010 en 6 augustus 2010 en van de longarts van 8 november 2010. Volgens de rechtbank bestond er voor de verzekeringsartsen geen aanleiding om de behandelend orthopedisch chirurg opnieuw te benaderen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de verzekeringsarts bij zijn onderzoek de schouder van appellant heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat de situatie niet gewijzigd was ten opzichte van vorige onderzoeken. Voorts was er ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts van een komende operatie aan de schouder nog geen sprake. De rechtbank was voorts van oordeel dat er geen aanleiding bestond om opnieuw informatie op te vragen bij de longarts, aangezien appellant weliswaar onder controle staat bij deze arts, maar dat van een behandelingstraject geen sprake meer is. De rechtbank heeft voorts overwogen dat van de kant van appellant geen (nadere) medische informatie in geding is gebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen. Van de door appellant gestelde verergering van de klachten ten opzichte van 3 december 2010 is niet gebleken. De omstandigheid dat in december 2011 een operatie aan de schouder van appellant heeft plaatsgevonden heeft de rechtbank te ver verwijderd geacht van de datum in geding om daaraan betekenis te hechten.

3. In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat hij per 4 november 2011, onder andere wegens zijn toegenomen schouderklachten, niet in staat was om zijn werkzaamheden te verrichten en dat zijn situatie niet vergelijkbaar was met die in december 2010. Verder stelt appellant dat het Uwv - ondanks zijn daarvoor gegeven toestemming - heeft nagelaten informatie bij de behandelende sector op te vragen. Appellant acht het onderzoek onzorgvuldig. Het Uwv beargumenteert niet waaruit blijkt dat appellant op 5 september 2011 niet in staat was om werkzaamheden te verrichten en op 4 november 2011 wel. Het Uwv gaat voor beide data uit van dezelfde medische gegevens. Appellant heeft verzocht om inschakeling van een deskundige.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van schoonmaker parkeergarages gedurende 38 uur per week.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De door de rechtbank gegeven overwegingen kunnen volledig onderschreven worden. Volstaan wordt met een verwijzing daarnaar. Appellant heeft ook in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel kan leiden. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D.E.P.M. Bary

QH