Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
12-3422 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering omdat appellant verwijtbaar niet heeft meegewerkt aan zijn re-integratie bij de werkgeefster, waardoor deze genoodzaakt was om ontslag aan te vragen. Appellant heeft daarmee zijn recht op loondoorbetaling prijsgegeven en een onnodig beroep op een ZW-uitkering gedaan. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel aanleiding zou moeten geven. Appellant is niet in staat zijn eigen werk volledig te verrichten. Dit oordeel houdt geenszins in dat appellant geen aangepast werk kan doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3422 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 mei 2012, 12/123 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 30 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.C. Mourits, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met een bij de Raad op 19 december 2012 om 8:43 uur binnengekomen fax heeft mr. Mourits verzocht het op die dag om 10:30 uur geplande onderzoek ter zitting uit te stellen, omdat hij vanwege ziekte verhinderd was om aanwezig te zijn bij de zitting. De Raad heeft dit verzoek afgewezen aangezien appellant, hoewel daartoe in persoon opgeroepen, niet ter zitting is verschenen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2012. Het Uwv heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Volstaan wordt hier met het volgende.

1.2. Appellant is sinds 4 januari 1993 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam als fulltime servicemonteur bij [naam werkgeefster]. Op 15 maart 2010 is appellant uitgevallen met griepklachten, waarna tevens bleek van spanningsklachten.

1.3. Op 19 januari 2011 heeft de werkgeefster voor appellant bij het Uwv een ontslagvergunning aangevraagd in verband met het verwijtbaar niet meewerken aan zijn re-integratie, welke toestemming op 18 april 2011 is verkregen. Per 1 augustus 2011 is appellant ontslagen.

1.4. Appellant heeft vervolgens een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aangevraagd. Bij besluit van 16 september 2011 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering aangezien appellant verwijtbaar niet heeft meegewerkt aan zijn re-integratie bij de werkgeefster, waardoor deze genoodzaakt was om ontslag aan te vragen. Appellant heeft daarmee zijn recht op loondoorbetaling prijsgegeven en een onnodig beroep op een ZW-uitkering gedaan.

1.5. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 29 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij gewezen op het deskundigenoordeel van 21 september 2010 dat behelst dat appellant per 23 augustus 2010 geschikt te achten was voor twee uur per dag in licht en aangepast werk bij de eigen werkgeefster. De rechtbank heeft voorts, in reactie op de stelling van appellant, dat er geen sprake is van een benadelingshandeling omdat hij te ziek was om te werken conform het voor hem door de bedrijfsarts opgestelde opbouwschema, geoordeeld dat er geen aanleiding is aan te nemen dat het advies van de psychiater tot een gedoseerde werkhervatting niet is gevolgd. In het plan van aanpak is immers afgesproken dat appellant gedoseerd zou re-integreren door het aantal uren geleidelijk op te bouwen en voorts heeft de werkgeefster voorzien in aangepast werk. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende rekening gehouden met het advies van een gefaseerde opbouw in aangepaste, voor appellant lichtere, werkzaamheden. Voorts was er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een ongeoorloofde druk van de kant van werkgeefster. De werkgeefster is terecht uitgegaan van het advies van de bedrijfsarts. Onder die omstandigheid kan het feit dat de werkgeefster de aan haar ten dienste staande instrumenten inzet om appellant te motiveren conform het opbouwschema te hervatten niet worden aangemerkt als ongeoorloofde druk. De rechtbank was voorts van oordeel dat er geen sprake is van het volledig ontbreken dan wel van een verminderde verwijtbaarheid van appellant. Appellant heeft zich ook na het deskundigenoordeel moeten realiseren dat hij het medisch oordeel over zijn mogelijkheden van opbouw in aangepast werk niet naast zich neer kon leggen. Appellant is meerdere malen gewaarschuwd door zijn werkgeefster dat bij herhaald niet nakomen van de regels van dit plan ontslag kon volgen. Appellant heeft zich desondanks opnieuw niet aan de regels van het plan van aanpak gehouden zonder ondersteuning met medische verklaringen van zijn stelling dat hij te ziek was om conform het opbouwschema te werken.

3. In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunt dat er geen sprake was van een benadelingshandeling omdat hij te ziek was conform het opbouwschema te werken en dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De loonopschorting leidde tot bovenmatige stress en druk. Van goed werkgeverschap kan volgens appellant dan niet gesproken worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Er bestaat geen aanleiding daarover anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De door de rechtbank gegeven overwegingen kunnen volledig onderschreven worden, zodat daarnaar wordt verwezen. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel aanleiding zou moeten geven.

4.2. Voor zover appellant het standpunt inneemt dat uit het deskundigenoordeel van 18 februari 2011 zou moeten voortvloeien dat hij niet in het voorgestelde opbouwschema zou kunnen re-integreren wordt nog opgemerkt dat de deskundige weliswaar heeft gesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk volledig te verrichten, maar dat dit ook door de bedrijfsarts onderkend wordt. Dit oordeel houdt geenszins in dat appellant geen aangepast werk kan doen.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D.E.P.M. Bary

GdJ