Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9857

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
11-6970 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor het doorbetalen van de huur van de woning tijdens detentie. De omstandigheid dat appellant als gevolg van zijn detentie onvoldoende middelen heeft om de huur van zijn woning te betalen en daardoor het risico loopt dat de verhuurder de huurovereenkomst laat ontbinden en de woning moet worden ontruimd, kan niet als een acute noodzaak worden aangemerkt. Geen zeer bijzondere omstandigheid aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6970 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 november 2011, 11/1155 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak 29 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2012. Voor appellant is verschenen mr. Van Dijk. Het college heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1 mei 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op 22 december 2009 heeft de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Groningen (DSW) van een medewerker van de Penitentiaire Inrichting Veenhuizen het e-mailbericht ontvangen dat appellant is aangehouden in verband met de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf die hem in 1997 is opgelegd en in januari 1999 onherroepelijk is geworden. In verband hiermee heeft het college bij besluit van 15 maart 2010 de bijstand met ingang van 19 december 2009 ingetrokken.

1.3. Het college heeft bij besluit van 12 maart 2010 afgewezen appellants aanvraag van 31 december 2009 om bijzondere bijstand voor het doorbetalen van de huur van zijn woning en de overige vaste lasten.

1.4. Bij besluit van 26 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 maart 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is als motivering gegeven dat ingevolge artikel 13, eerste lid, onder a, van de WWB geen bijstand wordt toegekend aan iemand die gedetineerd is en dat er geen dringende reden zijn als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, op grond waarvan het college alsnog tot het verlenen van bijzondere bijstand over had moeten gaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat degene wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, geen recht heeft op bijstand. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat dit voorschrift geldt voor het recht op algemene en bijzondere bijstand.

4.2. Artikel 16, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, in afwijking van deze paragraaf bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 7 juni 2005, LJN AT7273 en CRvB 20 september 2011, LJN BT2086), dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.

4.3. Gelet op hetgeen de gemachtigde van appellant ter zitting heeft verklaard is het beroep op het vertrouwensbeginsel niet meer aan de orde.

4.4. Anders dan appellant heeft gesteld heeft de rechtbank geen onjuiste uitleg aan artikel 16, eerste lid, van de WWB gegeven. Zoals de Raad in de in 4.2 genoemde uitspraken heeft overwogen kan de omstandigheid dat betrokkene als gevolg van zijn detentie onvoldoende middelen heeft om de huur van zijn woning te betalen en daardoor het risico loopt dat de verhuurder de huurovereenkomst laat ontbinden en de woning moet worden ontruimd, niet als een acute noodzaak worden aangemerkt. Overigens bleek in bezwaar dat appellant heeft kunnen lenen en dat hij de woning niet wegens betalingsachterstand heeft moeten verlaten.

4.5. Hetgeen appellant heeft aangevoerd vormt voorts geen zeer bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college in afwijking van artikel 16, eerste lid, van de WWB tot verlening van bijzondere bijstand zou moeten overgaan. De omstandigheid dat appellant er geen rekening mee hield dat hij alsnog detentie zou moeten ondergaan, kan niet als zodanige omstandigheid worden aangenomen. Appellant heeft in dat verband gewezen op het rapport van de Nationale Ombudsman van 30 mei 2011. Daarin heeft de Nationale Ombudsman geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie in de periode van 2002 tot en met 2008 onvoldoende inspanningen heeft verricht om appellant aan te houden. De Nationale Ombudsman heeft in datzelfde rapport echter ook overwogen dat het gegeven dat appellant niet eerder is aangehouden niet de veronderstelling rechtvaardigt dat de straf helemaal niet ten uitvoer zou worden gelegd. De Raad onderschrijft deze overweging.

5. Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dit brengt tevens met zich dat het verzoek om toekenning van vergoeding van schade niet voor toewijzing in aanmerking komt.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) V.C. Hartkamp

HD