Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9855

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
11/5078 WWB + 11/5079 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. De gronden die verzoekers tegen de uitspraak hebben aangevoerd kunnen niet worden aangemerkt als feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5078 WWB, 11/5079 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 juli 2011, 11/1019 WWB en 11/1020 WWB

Partijen:

[Verzoeker 1] en [Verzoeker 2] te [woonplaats] (verzoekers)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

Datum uitspraak 29 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Verzoekers hebben verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 juli 2011, nrs. 11/1019 WWB en 11/1020 WWB.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekers hebben nadere stukken ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2012, waar verzoekers zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.H.M. Quaedvlieg.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 december 2010, 09/2141, bevestigd. Daarbij heeft de Raad overwogen dat het intrekkingsbesluit van 14 mei 2009 in rechte vaststaat en dat verzoekers in het kader van hun aanvraag om bijstand met ingang van 18 mei 2009 niet hebben aangetoond dat in de voor de beoordeling relevante periode sprake is van een wijziging in de omstandigheden, in die zin dat verzoekers nu wel voldoen aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Aan het intrekkingsbesluit lag ten grondslag dat verzoekers gedurende de periode van 1 juli 1997 tot 1 februari 2009 inkomsten uit werkzaamheden, bestaande uit het handelen door verzoeker in telecommunicatiemiddelen via internet, onder andere door het plaatsen van advertenties op www.marktplaats.nl, hebben verzwegen.

3. Verzoekers hebben aan hun verzoek om herziening, samengevat, ten grondslag gelegd dat zij betwisten dat zij niet aan de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben voldaan. Zij hebben aan het college destijds - anders dan het college beweert - alle relevante informatie en stukken over de activiteiten van verzoeker verstrekt. Door het onzorgvuldig handelen van het college beschikte de Raad destijds niet over alle stukken. Verzoekers hebben ter motivering van hun standpunt verwezen naar een groot aantal stukken.

4. Vastgesteld moet worden dat de gronden die verzoekers tegen de uitspraak van 5 juli 2011 hebben aangevoerd niet kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

4.1. De feiten en omstandigheden waarop verzoekers zich beroepen dateren weliswaar vrijwel alle van vóór deze uitspraak, maar deze zijn in de procedure die tot die uitspraak heeft geleid - materieel - ook aan de orde geweest, dan wel hadden in die procedure aan de orde kunnen worden gesteld. Een aantal van de stukken waar verzoekers naar verwijzen bevond zich al onder de gedingstukken die aan de uitspraak van 5 juli 2011 ten grondslag hebben gelegen. De overige stukken waren, met uitzondering van het hierna onder 4.2 te noemen stuk, alle bij verzoekers bekend, dan wel konden dat redelijkerwijs zijn. Dit laatste geldt tevens voor de stukken waarvan verzoekers thans stellen dat zij deze destijds aan het college hebben toegezonden maar naar hun zeggen niet aan de Raad zijn overgelegd, hetgeen het college overigens betwist. Hieruit volgt dat in zoverre niet is voldaan aan het in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb neergelegde vereiste.

4.2. Bij de stukken, waar verzoekers naar verwijzen, bevindt zich ook een beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 29 mei 2012. Hierin is geoordeeld dat de forensisch arts M.W.G. Govaerts die verzoeker heeft begeleid na zijn aanhouding op 9 maart 2009 tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens verzoeker. Dit stuk kan evenmin leiden tot inwilliging van het verzoek, omdat niet is voldaan aan de in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Awb neergelegde vereisten. Niet alleen moet worden vastgesteld dat deze beslissing dateert van na de uitspraak van 5 juli 2011, ook volgt uit de inhoud van de beslissing dat het daarin gegeven oordeel over het functioneren van voormelde arts, wat daar verder ook van zij, geen betrekking heeft op de periode waarop de uitspraak ziet. Om die reden had de beslissing van het Centraal Tuchtcollege nimmer tot een andere uitspraak kunnen leiden.

4.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 24 april 2012, LJN BW3802) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren, noch ook om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

4.4. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

HD