Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9851

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
11-3090 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen sprake van toegenomen medische beperkingen. Het medisch onderzoek van het Uwv is voldoende uitgebreid en zorgvuldig. De Raad heeft geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden en verwijst daarvoor in de eerste plaats naar de daarop betrekking hebbende overwegingen in de aangevallen uitspraak. In lijn met de gevormde vaste rechtspraak op artikel 43a van de WAO heeft de rechtbank terecht afgezien van een beoordeling van de arbeidskundige gronden van het beroep van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3090 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 14 april 2011, 10/676 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 25 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Brosius, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft op 10 december 2012 nadere stukken, waaronder een brief van PsyQ Goes van 6 december 2011, en op 18 december 2012 een brief van de psychiater G.P.M. de Bruyn van 16 december 2012 overgelegd. Hierop heeft het Uwv gereageerd met overlegging van rapporten van de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling van 13 onderscheidenlijk

19 december 2012.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2012.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brosius. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam van 1 januari tot 14 november 2004 als assistent mediathecaris en daarna tot 5 december 2004 via een uitzendbureau bij het Uwv. Vervolgens kreeg zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Zij meldde zich met ingang van 11 april 2005 ziek met psychische klachten. Daarnaast waren er diverse lichamelijke klachten, onder andere in verband met een ongeval met frituurvet. Het beroep van appellante tegen de handhaving op 31 augustus 2007 van het besluit van het Uwv van 12 februari 2007, inhoudende dat voor appellante met ingang van 9 april 2007 geen recht was ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), is door de rechtbank bij uitspraak van 3 september 2008, 07/953, ongegrond verklaard. Bij zijn uitspraak van 18 augustus 2010 (LJN BN4434) heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.2. Appellante heeft zich met ingang van 24 augustus 2009 ziek gemeld met toegenomen lichamelijke klachten. Zij is op 30 september 2009 in het kader van de Ziektewet met ingang 1 oktober 2009 hersteld verklaard. Het beroep van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen deze hersteldverklaring heeft de rechtbank bij uitspraak van 16 maart 2010, 09/1057, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vervolgens het verzet tegen deze uitspraak op 2 september 2010 (onder hetzelfde nummer) ongegrond verklaard.

2. Appellante heeft zich op grond van de Wet WIA op 31 oktober 2009 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding van deze melding is appellante op 2 februari 2010 onderzocht door de verzekeringsarts R.P.C. Melker. In een rapport van 8 februari 2010 noteerde deze arts dat de toename van klachten aan de linkerschouder en linkerkant van de romp is ontstaan na een operatie/huidtransplantatie in februari 2008. Over het psychisch onderzoek noteerde de verzekeringsarts geen bijzonderheden. Bij het lichamelijk onderzoek van nek, rug, handen en benen nam de verzekeringsarts normale dan wel goede beweeglijkheid waar en vond hij geen afwijkingen. Deze arts nam de diagnose uit het expertiseverslag uit 2005 van een psycholoog en een psychiater van de HSK-Groep vrijwel geheel over. In dat verslag was sprake van een depressieve stoornis, gedeeltijk in remissie, een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, misbruik van alcohol en het Syndroom van Tietze. Wel tekende de verzekeringsarts aan dat de depressieve stoornis thans in volledige remissie was en hij concludeerde dat appellante belastbaar was volgens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 juli 2007. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat er geen verlies van verdienvermogen was. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 10 maart 2010 vast dat voor appellante met ingang van 1 oktober 2009 geen recht was ontstaan op een Wet WIA-uitkering.

3. De eerder genoemde bezwaarverzekeringsarts Greveling vermeldde in haar in de bezwaarprocedure opgemaakte rapport van 22 juni 2010 het verslag van neuropsychologisch onderzoek van 26 juni 2008 door psychologenpraktijk Triade, waarin onder andere werd geconcludeerd tot cognitieve problemen bij appellante (aandacht en concentratie), en een door appellante overgelegde, niet volledige, brief van de haar behandelende neuroloog van 24 november 2008, waarin werd geschreven over veel pijn ter plaatse van de brandwond en extreme moeheid. Bij onderzoek vond deze neuroloog geen aanwijzingen voor neurologische stoornissen. Greveling zag in deze informatie geen aanleiding tot herziening van de medische grondslag van het besluit van 10 maart 2010. In het bijzonder zag zij noch uit energetisch - Greveling wees er in dit verband op dat appellant in de FML energetisch verminderd belastbaar was geacht door het aannemen van een aantal fysieke beperkingen - noch uit preventief oogpunt een reden voor een urenbeperking. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 20 juli 2010 het bezwaar van appellante ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 20 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek van het Uwv voldoende uitgebreid en zorgvuldig is geweest en zag - ook in de in beroep overgelegde rapportage indicatie WMO van 19 oktober 2009 en de brief van de psychotherapeut dr. A. Weertman van 9 december 2010 - geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank overwoog ten slotte dat, zoals ook in het verweerschrift is gesteld, nu geen sprake was van toegenomen medische beperkingen, een arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid achterwege had kunnen blijven.

5.1 In hoger beroep heeft appellante haar in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden in essentie herhaald. Het komt er hoofdzakelijk op neer dat appellante meent dat het onderzoek vanwege het Uwv onzorgvuldig is geweest. Ter onderbouwing hiervan heeft zij gewezen op het rapport over een onderzoek op 18 september 2009 van de bedrijfsarts

R. van Dijk, die in het kader van een indicatiestelling voor WSW-arbeid een urenbeperking tot 10 uur per week en 2 uur per dag had vastgesteld. Om die reden had de rechtbank, volgens appellante, een deskundige moeten benoemen. Voorts heeft de rechtbank, aldus appellante, ten onrechte beoordeling van de arbeidskundige gronden achterwege gelaten.

5.2. Ter ondersteuning van haar standpunt over de medische grondslag van het bestreden besluit heeft appellante in hoger beroep voorts de eerder vermelde brieven van PsyQ Goes en de psychiater De Bruyn overgelegd. In de brief van PsyQ Goes is verslag gedaan van de behandeling van appellante in de periode van 1 december 2010 tot en met 27 oktober 2011, is onder andere vermeld dat appellante zich herkent in de diagnose theatrale persoonlijkheidsstoornis en is advies uitgebracht over een langer durend steunend en structurerend contact met aandacht voor emotieregulatie en dagstructuur. In de brief van De Bruyn, bij wie appellante sinds september 2011 in behandeling was, wordt gewezen op de discreet aanwezige en daardoor moeilijk vaststelbare stoornissen in aandacht en concentratie. Voorts had appellante volgens De Bruyn op dat moment duidelijk ernstige beperkingen op de aspecten eigen gevoelens uiten, conflicthantering en samenwerking en achtte hij het, gezien de chronische problematiek, erg onwaarschijnlijk dat deze beperkingen niet al in oktober 2009 aanwezig waren.

5.3. Bezwaarverzekeringsarts Greveling wees in haar vermelde reacties op de in 5.2 beschreven brieven erop dat het Rapport van PsyQ handelt over de behandeling van appellante in een periode van meer dan één jaar na de datum in geding. Wat betreft de brief van De Bruyn viel haar op dat daarin geen anamnestische gegevens of onderzoeksgegevens zijn vermeld en dat ook een diagnose ontbreekt, zodat onduidelijk is waarop het standpunt van De Bruyn over de belastbaarheid van appellante op de datum in geding is gebaseerd.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden en verwijst daarvoor in de eerste plaats naar de daarop betrekking hebbende overwegingen in de aangevallen uitspraak. Hij voegt daar aan toe dat verzekeringsarts Melker, ondanks het feit dat deze arts, zoals in overweging 2 is vermeld, over het psychisch onderzoek geen bijzonderheden noteerde, door zich aan te sluiten bij de FML van 16 juli 2007 - opgesteld in het kader van de beoordeling die uiteindelijk heeft geleid tot de in overweging 1.1 vermelde uitspraak van de Raad - niettemin ook voor de datum in geding beperkingen in de psychische belastbaarheid van appellante heeft aangenomen. In de in hoger beroep overgelegde brieven van PsyQ Goes en De Bruyn heeft de Raad geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de voor appellante op de datum in geding geldende psychische beperkingen zijn onderschat. Wat betreft de brief van PsyQ Goes merkt de Raad op dat deze in hoofdzaak informatie bevat over het verloop van de behandeling van appellante ruim één jaar na de datum in geding. Inzake de door Triade vastgestelde cognitieve beperkingen van appellante merkt de Raad op dat deze nadien niet op enigerlei wijze door een medisch deskundige in verband zijn gebracht met ziekte of gebrek. Overigens nam de verzekeringsarts bij zijn onderzoek geen aandachts- en concentratieprobleem waar. Ten aanzien van het standpunt van De Bruyn over de psychische belastbaarheid van appellante op de datum in geding onderschrijft de Raad de reactie van Greveling, als samengevat weergegeven in overweging 5.3. Wat betreft de beoordeling van de lichamelijke beperkingen van appellante wijst de Raad in de eerste plaats op het rapport van de neuroloog H. Wouters van 26 maart 2010, die als deskundige was benoemd in de procedure die heeft geleid tot de in overweging 1.1 vermelde uitspraak van de Raad. Weliswaar was de datum in geding in die zaak 9 april 2007, maar de conclusie van Wouters dat er bij appellante op neurologische gronden geen beperkingen aan te wijzen waren betrof ook de onderzoeksdatum 9 maart 2010. Voorts ligt deze conclusie, naar het de Raad voorkomt, in lijn met de conclusie van de appellante behandelende neuroloog als weergegeven in overweging 3. Verder sluiten de bevindingen van Wouters aan bij de in overweging 2 weergegeven resultaten van het lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts. De bevindingen van laatst genoemd onderzoek stemmen overigens vrijwel overeen met het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 30 september 2009 in het kader van de Ziektewet.

Ten slotte ziet de Raad in het in overweging 5.1 vermelde rapport van de bedrijfsarts geen aanknopingspunten de beargumenteerde conclusie van Greveling over het achterwege laten van een urenbeperking voor onjuist te houden. In het rapport van de bedrijfsarts wordt immers geen medische onderbouwing gegeven voor de daarin opgenomen urenbeperking.

6.2. Het in overweging 6.1 neergelegde oordeel leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van het Uwv, dat op de datum in geding geen sprake was van toegenomen medische beperkingen, niet voor onjuist heeft gehouden. Deze conclusie brengt in de eerste plaats mee dat de Raad geen aanleiding ziet in navolging van het verzoek namens appellante een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Voorts leidt deze conclusie tot het oordeel dat voor appellante, zoals in het bestreden besluit is neergelegd, met ingang van 1 oktober 2009 niet met toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet WIA een recht is ontstaan op een Wet WIA-uitkering. Meergenoemde conclusie heeft ten slotte tot gevolg dat de rechtbank - in lijn met de gevormde vaste rechtspraak op artikel 43a van de WAO en zoals ook naar voren komt uit de uitspraak van de Raad van 26 september 2012 over artikel 55 van de Wet WIA (LJN BX8334) - terecht heeft afgezien van een beoordeling van de arbeidskundige gronden van het beroep van appellante.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en E.J. Govaers en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) K.E. Haan

GdJ