Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9848

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
11-3438 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanwijzingen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Geen aanleiding om te oordelen dat appellant niet in staat zou zijn de hem voorgehouden functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3438 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 mei 2011, 10/391 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 25 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Namens appellant heeft mr. L.J.H. Jonkeren aanvullende gronden ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jonkeren en door M.L.H.H.M. van der Schoor, arbeidsdeskundige. Voor het Uwv is verschenen mr. T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 9 december 2009 heeft het Uwv aan appellant per 2 februari 2010 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 67%

2. Bij besluit van 24 maart 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 9 december 2009 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv een medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag gelegd van 10 en 18 maart 2010. De bezwaarverzekeringsarts heeft, mede naar aanleiding van de door appellant overgelegde informatie van de behandelende sector, aanvullende beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgenomen, waarna de bezwaararbeidsdeskundige de arbeidskundige gevolgen van deze wijziging heeft beoordeeld. Na een nieuwe functieselectie is de mate van arbeidsongeschiktheid in het rapport van 18 maart 2010 vastgesteld op 66%.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn voor het standpunt dat de beperkingen van appellant op de datum in geding, 2 februari 2010, zijn onderschat. Er is geen reden het medisch onderzoek onvolledig of onzorgvuldig te achten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts naast dossierstudie een lichamelijk en psychisch onderzoek heeft verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie van de behandelend orthopedisch chirurg en van twee anesthesiologen bij zijn oordeelsvorming betrokken en op basis daarvan in de FML aanvullende beperkingen aangenomen vanwege pijnklachten en de aandoening van de kniegewrichten. De rechtbank heeft overwogen dat de stelling van appellant dat hij in verband met zijn klachten van rug, knie en schouders verdergaand beperkt is, geen doel treft. Uit de informatie van de behandelaars blijkt weliswaar dat er bij appellant ten aanzien van de betreffende aspecten beperkingen bestaan, maar dat dit niet tot de gevolgtrekking leidt dat sprake is van verdergaande beperkingen dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Deze conclusie volgt evenmin uit de door appellant in beroep overgelegde informatie van de arts R. Liefers van 8 januari 2010, noch uit het onderzoek van psycholoog M. Schwenk van 3 maart 2010. Hoewel volgens die informatie sprake is van verdergaande beperkingen op psychisch en lichamelijk terrein, dat er geen aanleiding is dat standpunt te volgen omdat onvoldoende blijkt waarop die conclusie is gebaseerd. Dat oordeel lijkt volgens de rechtbank te zijn gebaseerd op de door appellant geuite klachten en is niet onderbouwd met medisch objectiveerbare gegevens. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag en ziet geen reden voor het raadplegen van een deskundige. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onderschreven.

4. Appellant heeft in hoger beroep, naast een herhaling van de eerdere gronden, een brief van orthopedisch chirurg B. Lensker van 19 april 2012 in geding gebracht. De bezwaarverzekeringsarts heeft hier op 4 juni 2012 een reactie op gegeven en in de overgelegde informatie geen aanleiding gezien het ingenomen standpunt te herzien. Verder zijn namens appellant op 24 oktober 2012 stukken met betrekking tot de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) per 8 mei 2012 overgelegd. In de toekenning van de IVA-uitkering ziet hij een bevestiging van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen per 2 februari 2010 heeft onderschat.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Het hoger beroep is - naar de Raad ter zitting is gebleken - beperkt tot de medische grondslag van het bestreden besluit.

5.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zorgvuldig is geweest. Uit de medische stukken die appellant heeft ingebracht en uit hetgeen hij voorts heeft aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de beperkingen in de FML van 10 maart 2010 niet juist zijn weergegeven. Naar aanleiding van de stelling van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts niet volledig de beschikking heeft gehad over de informatie van de behandelende sector is bij de behandeling ter zitting vastgesteld, dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn heroverweging kennis heeft gedragen van alle door appellant overgelegde brieven van de behandelende sector. De bezwaarverzekeringsarts wordt gevolgd in zijn overweging, dat hij in de in hoger beroep overgelegde medische informatie van dr. Lensker geen aanleiding heeft gezien het ingenomen standpunt te wijzigen, aangezien appellant pas sinds april 2012 bij Lensker onder behandeling is gekomen en er geen aanwijzingen zijn voor het standpunt dat de in de brief van Lensker genoemde omstandigheden ook in dezelfde omvang per de datum in geding aan de orde zouden zijn. De omstandigheid dat per 8 mei 2012 een IVA-uitkering aan appellant is toegekend, betekent niet dat op grond daarvan geoordeeld zou moeten worden dat de beperkingen van appellant per 2 februari 2010 zijn onderschat. Hiervoor zijn ook geen aanknopingspunten te vinden in de medische stukken. Hieruit komt veeleer het beeld naar voren dat de situatie van appellant na 2010 is verslechterd. Dit bevestigt appellant zelf ook door te stellen dat de pijnbestrijding de laatste jaren steeds minder goed werkt.

5.3. Ten slotte wordt overwogen dat, nu er geen aanwijzingen zijn dat het Uwv de belastbaarheid van appellant per 2 februari 2010 heeft overschat, er evenmin aanleiding bestaat om te oordelen dat appellant niet in staat zou zijn de hem voorgehouden functies te vervullen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op afdoende wijze gemotiveerd waarom de belasting van de functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

5.4. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 en 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) E. Heemsbergen

JvC