Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9830

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
11-4408 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode woonde op het kameradres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4408 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 juni 2011, 10/4219 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 29 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J.C. Bindels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bindels. Als getuige is verschenen [naam getuige]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich 13 april 2010 bij het Uwv Werkbedrijf gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 21 april 2010 omdat per deze datum zijn dienstverband is beëindigd. Hij heeft daarbij aangegeven een kamer te huren op het adres [kameradres] te [plaatsnaam 1] (kameradres). Omdat appellant geen betalingsbewijs van de huur kon overhandigen en de bankafschriften van appellant naar een ander adres werden gezonden heeft Team Handhaving van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben medewerkers van Team Handhaving op 30 juni 2010, 1 juli 2010 en op 8 juli 2010 getracht een onaangekondigd huisbezoek op het kameradres af te leggen. Appellant werd daarbij niet aangetroffen. Op 30 juni 2010 en 8 juli 2010 hebben de medewerkers van Team Handhaving gesproken met een 12-jarige bewoner op het kameradres. Deze jongen heeft een verklaring afgelegd over de personen die in de woning wonen, waarbij hij appellant niet heeft genoemd. Team Handhaving heeft appellant vervolgens bij brieven van 12 juli 2010 en 13 juli 2010 die op het kameradres in de brievenbus zijn gedeponeerd opgeroepen voor een gesprek op respectievelijk 13 juni en 15 juli 2010. Beide keren is appellant niet verschenen.

1.2. De bevindingen van het onderzoek, zoals neergelegd in een rapportage van 15 juli 2010, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 15 juli 2010 de aanvraag om bijstand van appellant af te wijzen.

1.3. Bij besluit van 23 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat hij ten tijde van de aanvraag om bijstand zijn hoofdverblijf had op het kameradres. Ter zitting heeft [naam getuige] als getuige verklaard dat appellant ten tijde van de aanvraag woonachtig was op het kameradres en heeft hij uiteengezet hoe de woon- en leefsituatie van appellant was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geval van een aanvraag om algemene bijstand bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel de periode vanaf de datum met ingang waarvan bijstand wordt aangevraagd tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 13 april 2010 tot en met 15 juli 2010.

4.2. Voor de beoordeling van het recht op bijstand is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat omtrent de woon en leefsituatie van de belanghebbende. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In geval van een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode woonde op het kameradres.

4.4. Vaststaat dat appellant bij de pogingen om een huisbezoek af te leggen niet op het kameradres is aangetroffen, dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de oproepbrieven van 12 en 13 juli 2010, en dat de bankafschriften van appellant naar een ander adres werden gestuurd. Bij de hoorzitting in bezwaar heeft appellant verklaard dat hij de oproepbrieven niet heeft gezien omdat hij in [plaatsnaam 2] bij zijn neef was, dat hij bij terugkomst met de sociale dienst heeft gebeld en dat hem gezegd is dat er een nieuwe oproep gestuurd zou worden. Ter zitting van de Raad heeft appellant echter verklaard dat hij de brieven niet op tijd heeft gezien omdat het bij hem in de gang een rommeltje is. Nu appellant ter zake wisselend heeft verklaard komt aan die verklaringen geen betekenis toe. Verder is niet gebleken dat appellant naar aanleiding van de oproepen telefonisch contact heeft opgenomen met de sociale dienst en dat is afgesproken dat hij nog een oproepbrief zou krijgen. In het licht van het vorenstaande kan in het midden worden gelaten welke waarde moet worden gehecht aan de verklaringen van de 12-jarige bewoner op het kameradres. Aan de ter zitting afgelegde verklaring van de getuige [naam] kan niet die waarde gehecht die appellant daaraan toegekend wil zien, nu eerst deze verklaring, anders dan de eerder op schrift door de getuige afgelegde verklaring, is toegespitst op de periode hier in geding.

4.5. Op grond van wat onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen treft het hoger beroep geen doel zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van den Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2013.

(getekend) A.B.J. van den Ham

(getekend) A.C. Oomkens

HD