Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9658

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-7564 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling geen recht op een WIA-uitkering. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is voldoende zorgvuldig en volledig geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7564 WIA Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 november 2011, 11/831 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Appellant heeft een nadere reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boon, advocaat. Tevens was aanwezig M.A. van Schaik, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoerige weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Appellant is wegens rugklachten en klachten aan zijn rechterbeen op 10 november 2008 uitgevallen voor zijn werk via [S.] als assemblage medewerker bij [D.]. Daarvoor heeft appellant van 29 januari 2007 tot en met juli 2008 gewerkt als leerling-monteur bij twee verschillende leerwerkbedrijven. In juli 2010 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.3. Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 8 november 2010 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA ontstaat, omdat appellant niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 24 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2010, onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 februari 2011 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 februari 2011, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts onder meer de uitgebreide medische informatie die zich in het dossier bevindt in zijn overwegingen heeft betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden. De rechtbank acht voorts voldoende gemotiveerd dat appellant de functies assemblagemedewerker B, wikkelaar en handmatig uitvoerder afwerking kan vervullen. Ten aanzien van de bepaling van de maatman heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige terecht niet de functie bij [D.] als maatmanfunctie heeft genomen, nu uitval in die functie te verwachten was. Met juistheid heeft de bezwaararbeidsdeskundige de conclusie getrokken dat in het geval van appellant niet met een redelijke mate van zekerheid kon worden vastgesteld dat hij zich zou hebben ontwikkeld tot monteur en is terecht de functie leerling-monteur als maatmanfunctie genomen.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt herhaald dat zijn lichamelijke beperkingen niet, althans onvoldoende, in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 september 2010 zijn weergegeven en zodoende zijn belastbaarheid te optimistisch is ingeschat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij een advies van Argonaut Advies van 30 augustus 2012 ingebracht, waarin is vermeld dat hij beperkt is ten aanzien van zitten, staan, lopen, traplopen en fietsen. Voorts heeft appellant opnieuw gewezen op de inhoud van het rapport van de orthopaedisch chirurg D.B. van der Schaaf van 18 juni 2009. Tenslotte blijft appellant van mening dat het laatst door hem verrichte werk als assemblagemedewerker bij [D.] als de maatmanfunctie moet worden genomen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De rechtbank heeft, uitgaande van de gedingstukken die voorlagen op het moment dat de rechtbank uitspraak deed, met juistheid overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Met de rechtbank kan worden vastgesteld dat door de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende gemotiveerd is waarom de in beroep overgelegde stukken geen aanleiding hebben gegeven om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen.

4.2. Ten aanzien van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd omtrent de belastbaarheid van appellant kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden gevolgd, zoals dat blijkt uit haar rapport van 22 november 2012. Kort samengevat heeft zij hierin overwogen dat de verzekeringsartsen in bezwaar en beroep bij het opstellen van de FML ook het rapport van dr. Van der Schaaf hebben betrokken. In dit verband heeft zij erop gewezen dat de vereiste afwisseling in zitten, staan en lopen afdoende is verzekerd met de vastgestelde FML. Uitgaande van de systematiek dat afwisseling in zitten welke korter duurt dan vijf minuten niet meetelt in aaneengesloten zitten, betekent één uur aaneengesloten zitten niet dat men dan ook daadwerkelijk een uur aaneengesloten stilzit. Kort even opstaan en iets gaan pakken, verzitten, even uitstrekken etc. zijn allemaal onderbrekingen die tijdens het uur aaneengesloten zitten kunnen plaatsvinden. Na een uur is een substantiëlere onderbreking van tenminste vijf minuten aan de orde. Met betrekking tot het advies van Argonaut heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht opgemerkt dat dit advies ruim twee jaar na de datum in geding is opgesteld, zeer beperkt is en uitgevoerd is vanuit een geheel ander kader dan een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de Wet WIA. Het oordeel van Argonaut is gebaseerd op de door appellant ervaren beperkingen en wordt niet onderbouwd vanuit het geobjectiveerde medisch beeld. Uit de gegevens van Argonaut komen geen nieuwe bevindingen naar voren die aanleiding zouden kunnen geven tot wijziging van de FML. Van evidente psychopathologie is en was geen sprake en beperkingen kunnen vanuit dat oogpunt niet worden aangenomen.

4.3. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting kan worden volstaan met verwijzing naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Voorts heeft de rechtbank afdoende gemotiveerd dat de functie leerling-monteur de juiste maatstaf is geweest bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant.

5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) G.J. van Gendt