Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9648

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-619 AOW-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Herziening recht op partnertoeslag en terugvordering partnertoeslag. De Svb heeft appellant diverse malen om inlichtingen verzocht over het inkomen van zijn kleinzoon. Appellant heeft de gevraagde inkomensgegevens niet verstrekt. De Raad is met de Svb van oordeel dat daardoor het recht op toeslag niet is vast te stellen. Uit de vorm noch uit de inhoud van zijn bezwaarschrift blijkt dat appellant zijn bezwaar heeft willen beperken tot de herziening en de beëindiging van de toeslag. De Svb heeft verzuimd een besluit te nemen over het bezwaar tegen de terugvordering en in het bijzonder over het betoog dat sprake is van een dringende reden om de terugvordering te matigen. Opdracht tot herstellen van het gebrek in het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/619 AOW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 16 december 2010, 10/648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 25 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 juli 2012 heeft de Svb vragen van de Raad beantwoord, waarop de gemachtigde van appellant heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 november 2012. Namens appellant zijn

mr. Manspeaker en P. [A.] verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), dat na het overlijden van zijn echtgenote in 1995 is herzien naar een ouderdomspensioen voor een alleenstaande.

1.2. De Svb heeft na onderzoek van de woon- en leefsituatie in 2006 en 2007 vastgesteld dat appellant met zijn kleinzoon [naam kleinzoon] een gezamenlijke huishouding voerde. Deze kleinzoon is na zijn geboorte in 1979 of 1980 bij appellant gaan wonen en woonde daar ten tijde in geding nog steeds. Bij besluit van 18 september 2007 heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellant met ingang van september 2005 herzien naar de norm voor een persoon die een gezamenlijke huishouding voert met een andere meerderjarige persoon. Voorts is aan appellant, omdat de kleinzoon jonger is dan 65 jaar, een partnertoeslag toegekend. Vastgesteld is, aan de hand van de bij de Svb bekende inkomensgegevens van de kleinzoon, dat appellant recht heeft op een nabetaling van € 3.276,67 netto. Daarbij heeft de Svb meegedeeld dat met ingang van september 2007 uitgegaan wordt van een fictief inkomen van de kleinzoon van € 500,- per maand. Het besluit van 18 september 2007 is in rechte onaantastbaar geworden.

1.3. Bij besluit van 29 december 2009 heeft de Svb het recht op toeslag herzien over de periode van september 2007 tot en met april 2009 omdat is gebleken dat het inkomen van de kleinzoon vanaf september 2007 is veranderd. Bij afzonderlijk besluit van 29 december 2009 is een bedrag van € 7.974,90 aan toeslag van appellant teruggevorderd. Bij nog een afzonderlijk besluit van 29 december 2009 is vastgesteld dat appellant op grond van artikel 17a van de AOW vanaf mei 2009 geen recht op toeslag heeft omdat hij geen informatie over het inkomen van de kleinzoon heeft verstrekt.

2. Bij besluit van 30 maart 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen de besluiten van 29 december 2009, inhoudende dat de kleinzoon geen inkomen had, ongegrond verklaard.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit van ingestelde beroep, ongegrond verklaard.

3.2. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden. Daartoe is - samengevat - naar voren gebracht dat appellant en zijn kleinzoon geen gezamenlijke huishouding voeren. Voorts is gesteld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid omdat er geen bewijs is dat van februari 2008 tot en met juni 2008 en van januari 2009 tot en met maart 2009 inkomen is verkregen door de kleinzoon. Ook de stopzetting na april 2009 is niet onderbouwd met financiële stukken. Het bezwaar van appellant zag tevens op het besluit tot terugvordering. Er zijn bijzondere omstandigheden op grond waarvan het bedrag van de terugvordering dient te worden gematigd. De kleinzoon is al in 1997 meerderjarig geworden terwijl geen gezamenlijke huishouding is aangenomen. Vanaf toen had appellant al recht op toeslag.

3.3. De Svb heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt.

4.1. De Raad acht het bezwaarschrift van appellant - anders dan de Svb heeft betoogd - niet alleen gericht tegen de besluiten van 29 december 2009 tot herziening van het recht op uitkering en tot beëindiging van het recht op uitkering doch mede gericht tegen het derde besluit van 29 december 2009 tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag. Uit het bezwaarschrift blijkt weliswaar niet expliciet of het bezwaar ook is gericht tegen het besluit ten aanzien van de terugvordering, maar gegeven het feit dat de Svb op 29 december 2009 drie afzonderlijke - maar wel samenhangende - besluiten heeft genomen en appellant in het bezwaarschrift verwijst naar een besluit van 29 december 2009 had het op de weg van de Svb gelegen om contact op te nemen met appellant om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de omvang van het bezwaar. In ieder geval had de Svb niet voetstoots kunnen aannemen dat het bezwaar niet was gericht tegen het met de herziening van de toeslag samenhangende besluit tot terugvordering. Uit de vorm noch uit de inhoud van zijn bezwaarschrift blijkt dat appellant zijn bezwaar heeft willen beperken tot de herziening en de beëindiging van de toeslag. De Svb heeft verzuimd een besluit te nemen over het bezwaar tegen de terugvordering en in het bijzonder over het betoog dat sprake is van een dringende reden om de terugvordering te matigen.

4.2. Ingevolge artikel 1, derde lid, onder a, van de AOW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige, die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW, is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant en zijn kleinzoon, zoals deze ten tijde in geding bestond, moet worden aangemerkt als het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW.

4.4. Tot 1 januari 1996 werden in de AOW ook personen die een gezamenlijke huishouding voerden met bloedverwanten in de tweede graad, niet met gehuwden gelijkgesteld. Ten aanzien van bloedverwanten in de tweede graad die op 31 december 1995 een gezamenlijke huishouding voerden is een overgangsregeling getroffen. Artikel XIII van de Wet van

21 december 1995 tot wijziging van de AOW en enkele andere wetten (Stb. 1995, 696) bepaalt dat op personen die op 31 december 1995 recht hadden op ouderdomspensioen en tussen wie een bloedverwantschap in de tweede graad bestaat en die op grond van artikel 1, derde lid van de AOW zoals dat artikel na inwerkingtreding van deze wet komt te luiden als gehuwd worden aangemerkt, artikel 1, derde lid, van de AOW zoals dat artikel voor de inwerkingtreding van deze wet luidde, van toepassing blijft. Niet in geschil is dat deze bepaling niet op appellant van toepassing is omdat de kleinzoon van appellant op 31 december 1995 nog niet meerderjarig was en artikel 1, derde lid van de AOW dus niet tot gevolg had dat appellant en zijn kleinzoon met ingang van 1 januari 1996 als gehuwd werden aangemerkt.

4.5. Op grond de artikelen 8 en 10 van de AOW heeft appellant in beginsel recht op een toeslag voor zijn jongere partner. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de partner.

4.6. Ter zitting heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat de herziening van de partnertoeslag over de periode van september 2007 tot en met januari 2008 niet wordt gehandhaafd omdat niet is komen vast te staan dat de kleinzoon van appellant in die periode inkomen heeft genoten. Over deze periode zal een nieuw besluit inzake de herziening en de terugvordering worden genomen.

4.7. De Svb heeft met betrekking tot de periode van februari 2008 tot en met juni 2008 en de periode van januari 2009 tot en met maart 2009 informatie uit Suwinet overgelegd waaruit blijkt dat appellants kleinzoon inkomen heeft genoten uit arbeid voor verschillende uitzendbureaus. Gesteld noch gebleken is dat de herziening van de toeslag in verband met dit inkomen onjuist is geweest.

4.8. De Svb heeft zich met betrekking tot de periode vanaf mei 2009 op het standpunt gesteld dat appellant op grond van artikel 17a, eerste lid aanhef en onder c van de AOW geen recht op toeslag heeft. Dit artikellid bepaalt dat de Svb een besluit tot toekenning van een ouderdomspensioen herziet of intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht van artikel 49 van de AOW ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat. Artikel 8, tweede lid van de AOW bepaalt dat waar in de AOW gesproken wordt van ouderdomspensioen daaronder mede wordt verstaan de toeslag. De Svb heeft appellant diverse malen om inlichtingen verzocht over het inkomen van zijn kleinzoon. Appellant heeft de gevraagde inkomensgegevens niet verstrekt. De Raad is met de Svb van oordeel dat daardoor het recht op toeslag niet is vast te stellen. De Svb heeft terecht de toeslag met ingang van mei 2009 op die grond beëindigd.

4.9. Voor zover appellant tevens heeft gesteld dat een dringende reden om van herziening af te zien is gelegen in het feit dat, hoewel de kleinzoon in 1997 meerderjarig is geworden, de Svb eerst met ingang van september 2005 een gezamenlijke huishouding heeft aangenomen, volgt de Raad appellant niet. De datum van september 2005 komt voort uit het feit, zo blijkt uit het besluit van 18 september 2007, dat de Svb op 21 september 2006 heeft geconstateerd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Artikel 17, derde lid, van de AOW bepaalt dat een verhoging van het ouderdomspensioen welke voortvloeit uit een wijziging van omstandigheden ingaat op de eerste dag van de maand waarin de wijziging heeft plaatsgevonden. Ingevolge artikel 16, tweede lid van de AOW kan de verhoging met een jaar terugwerkende kracht ingaan. Dat is in het geval van appellant gebeurd. Het toepassen van de artikelen 16 en 17 van de AOW kan geen dringende reden opleveren om van herziening af te zien.

4.10. Zoals onder 4.1 is overwogen, heeft de Svb ten onrechte niet beslist op appellants bezwaar voor zover dat was gericht tegen het terugvorderingsbesluit van 29 december 2009. Teneinde te komen tot een finale beslechting van het geschil zal de Svb met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet worden opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Het staat de Svb uiteraard vrij daarin ook het onder 4.6 genoemde nadere besluit over de periode van september 2007 tot en met januari 2008 op te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt de Svb op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) K.E. Haan

QH