Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-6880 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet in aanmerking voor Wajong-uitkering; verzoek om terug te komen van. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6880 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 oktober 2011, 10/1657 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij beslissing van 3 september 2009 heeft het Uwv appellante niet in aanmerking gebracht voor de door haar gevraagde uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), omdat er geen

duidelijke beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek zijn vastgesteld, er derhalve geen arbeidsongeschiktheid is ontstaan en mitsdien geen wachttijd ingevolge de Wajong is aangevangen dan wel vervuld.

1.2. Het door appellante tegen de beslissing van 3 september 2009 gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 2 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Appellante heeft tegen de beslissing van 2 februari 2010 geen rechtsmiddelen aangewend.

2.1. Op 11 februari 2010 heeft appellante andermaal verzocht haar een Wajong-uitkering toe te kennen, welk verzoek is opgevat als een verzoek om terug te komen van de beslissing van 3 september 2009.

2.2. Bij besluit van 19 maart 2010 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van de beslissing van 3 september 2009, op de grond dat appellante aan haar verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten grondslag heeft gelegd, die ertoe leiden dat laatstgenoemde beslissing onjuist zou zijn.

2.3. Bij besluit van 16 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 19 maart 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven, overwogen dat het Uwv in hetgeen appellante aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd terecht geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft gezien. De rechtbank heeft daarbij mede acht geslagen op het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 16 september 2010 dat de door appellante in de bezwaarfase ingebrachte medische stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden in evenvermelde zin bevatten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat veel medische stukken dateren van vóór september 2009 en destijds al naar voren gebracht hadden kunnen worden.

4.1. Appellante heeft in hoger beroep de door haar in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte stellingen in essentie gehandhaafd. Wat appellante, ook in hoger beroep, naar voren heeft gebracht, komt er in het bijzonder op neer dat zij sinds haar zeventiende jaar volledig arbeidsongeschikt is, in verband waarmee de beslissing van 3 september 2009,

waarbij haar een Wajong-uitkering is geweigerd, evident onjuist is. Die beslissing is volgens appellante overigens ook onzorgvuldig voorbereid en genomen, doordat het Uwv onvoldoende initiatief heeft getoond bij het boven tafel krijgen van relevante medische en andere gegevens met betrekking tot de medische en andere problemen waarmee appellante vanaf haar jeugdjaren te kampen heeft gehad, en waaruit naar voren komt dat zij nimmer in staat is geweest tot duurzame deelname aan de vrije arbeidsmarkt.

4.2. De Raad kan zich volledig vinden in wat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en geoordeeld. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

4.3. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting overweegt de Raad dat wat appellante naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van haar stelling dat de beslissing van 3 september 2009 onzorgvuldig en onjuist is, argumenten zijn die thuis horen in een met betrekking tot die beslissing te voeren bezwaar- en beroepsprocedure. Deze argumenten

kunnen op zichzelf niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

4.4. Ook overigens kan hetgeen appellante naar voren heeft gebracht en aan stukken heeft ingebracht niet gelden als zodanige feiten en omstandigheden. Wat betreft de ingebrachte stukken moet worden vastgesteld dat deze in overwegende mate geen betrekking hebben op de periode, zijnde het tijdvak van het zeventiende tot het achttiende jaar van appellante,

waarop de besluitvorming in de beslissing van 3 september 2009 betrekking heeft en reeds om die reden geen relevante nova kunnen opleveren in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

4.5. Met de rechtbank valt voorts niet in te zien dat de medische rapporten en andere stukken waarop appellante zich beroept, niet hadden kunnen worden ingebracht in bezwaar en beroep tegen de beslissing van 3 september 2009.

4.6. Ten slotte: de rapporten die in de onderhavige procedure in de fase van het beroep en hoger beroep zijn ingebracht, moeten reeds buiten beschouwing worden gelaten omdat het Uwv daarmee bij het nemen van het bestreden besluit niet bekend was en daarmee dus bij zijn besluitvorming geen rekening heeft kunnen houden.

4.7. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. Baas

TM