Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-3238 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:2293, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA. Weigering verhoging vervolguitkering. Verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3238 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2011, 10/4074 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op een verzoek van de Raad.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van 3 september 2010 (bestreden besluit).

1.2. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv, voor zover van belang, ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 maart 2010, bij welk besluit het Uwv heeft geweigerd de vervolguitkering van appellant op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen te verhogen omdat ten opzichte van de beoordeling in december 2008 geen sprake was van toegenomen beperkingen.

2.1. De rechtbank heeft, in samenvatting weergegeven en voor zover van belang, overwogen dat haar niet is kunnen blijken dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat door de verzekeringsarts is gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek van appellant en kennisname van de in het dossier omtrent appellant aanwezige medische stukken, afkomstig van zijn huisarts en behandelend revalidatiearts, niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

2.2. Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank voorts geen reden gegeven het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische oordeel voor onjuist te houden. In dit verband heeft de rechtbank mede laten wegen dat de bezwaarverzekeringsarts ook in de inge-zonden medische informatie van de behandelend anesthesioloog en

pijnspecialist van 13 oktober 2010, geen aanleiding heeft gezien tot het innemen van een gewijzigd standpunt.

3. Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat zijn medische situatie verkeerd is ingeschat en dat hij zwaarder beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen. Hij wijst hierbij onder meer op toenemende duizeligheidsklachten, pijnklachten, ver-moeidheidsklachten en krachtverlies in de benen.

4.1. De Raad kan zich volledig vinden in wat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwo-gen en geoordeeld.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is uitsluitend een herhaling van de reeds in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden. Appellant heeft de door hem staande gehouden eigen opvatting inzake de ernst van zijn beperkingen ook in hoger beroep niet nader met objectief-medische gegevens onderbouwd. De gegevens van de behande-lend sector waarnaar appellant verwijst - het gaat hierbij om gegevens inzake de behandeling op de pijnpoli die appellant vanaf 2005 heeft ondergaan - waren reeds bekend bij verzeke-ringsartsen van het Uwv en deze artsen hebben die informatie, zoals de rechtbank ook heeft overwo-gen, reeds in hun oordeelsvorming betrokken. Ook voor het overige bevat het door appellant in hoger beroep aangevoerde geen nieuwe gezichtspunten.

4.3. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslis-sing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. Baas

GdJ