Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9638

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-3573 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:3183, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling geen recht op een WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Er is geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank over de medische geschiktheid van de uiteindelijk geduide functies voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3573 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2011, 10/3998 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld en daarbij overgelegd een rapport van het Instituut Psychosofia van 14 juli 2011.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadien een rapport van de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep van 2 november 2011 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012.

Namens appellante is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als stadswacht voor 32,18 uur per week toen zij zich met ingang van 12 juni 2008 ziek meldde met psychische en beenklachten.

2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 18 maart 2010 onderzocht door de verzekeringsarts H.J. Schaap. In een rapport van dezelfde datum noteerde de verzekeringsarts de angst van appellante om - om reden van problemen met haar voormalige echtgenoot - alleen naar buiten te gaan, haar dwanghandelingen, haar nek-, schouder- en knieklachten en de bursitisklachten aan haar linkerarm. De verzekeringsarts nam bij het psychisch onderzoek geen bijzonderheden waar en deed verslag van zijn bevindingen bij het onderzoek van nek, schouders en rechterknie. Voorts beargumenteerde deze arts de aannemelijk te achten psychische en lichamelijke beperkingen, waarbij hij aantekende voor de bursitis geen afzonderlijke beperking op te nemen omdat het een voorbijgaand probleem was. De beperkingen legde hij vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat geen sprake was van loonverlies. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 31 maart 2010 vast dat voor appellante met ingang van 11 februari 2010 geen recht was ontstaan op een Wet WIA-uitkering.

3. In de bezwaarprocedure vermeldde de in de rubriek Procesverloop genoemde bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep in een rapport van 26 augustus 2010 de verkregen informatie van GGZ Delfland van 1 juni 2010, waarin werd geconcludeerd tot alcoholafhankelijkheid en een obsessieve en compulsieve stoornis, en van de huisarts van 16 juli 2010, waaronder het journaal. Als ter hoorzitting van 19 juli 2010 verkregen informatie vermeldde Van der Stoep onder andere dat appellante haar rechter wijsvinger niet geheel bij de handpalm kon brengen en dat de bursitis, anders dan de verzekeringsarts meende, helemaal niet over was. Wat betreft de psychische belastbaarheid achtte Van der Stoep bijstelling van de FML aangewezen ten aanzien van conflicthantering en klantencontact, mede gezien de problematiek met haar voormalige echtgenoot. Voorts diende te worden gewerkt in een alcoholarme omgeving. In fysieke zin dienden ook beperkingen te worden gesteld op met name het item reiken in verband met de bursitis en op het item hand- en vingervaardigheid in verband met de problematiek van de rechter wijsvinger. Van der Stoep legde een en ander vast in een gewijzigde FML. Op basis hiervan werd bij het arbeidskundig onderzoek de functieduiding gewijzigd, waarbij andermaal werd vastgesteld dat geen sprake was van loonverlies. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 27 september 2010 ongegrond het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 maart 2010.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 27 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij tekende daarbij aan dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, waarbij zijn betrokken het dossier, de anamnese, het onderzoek van de verzekeringsarts en de informatie van de behandelaars, op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen reden is het medisch oordeel voor onjuist te houden. Ook in de informatie van het Instituut Psychosofia van 27 oktober 2010 zag de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Ten aanzien van het standpunt van appellante dat haar handfunctie onvoldoende is onderzocht wees de rechtbank op het rapport van Van der Stoep van 17 november 2010, waarin is vermeld dat de problematiek van de rechter wijsvinger minder speelt bij andere grepen dan de bolgreep.

4.3. Wat betreft de geduide functies oordeelde de rechtbank dat haar niet was gebleken dat de belasting daarin de belastbaarheid van appellante overschreed.

5. In hoger beroep zijn namens appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Het komt er op neer dat appellante van mening is dat in het bijzonder de psychische klachten en de handklachten onvoldoende onderzocht zijn en dat de problematiek van de rechter wijsvinger ook speelt bij andere grepen dan de bolgreep.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Naast hetgeen de rechtbank heeft overwogen, als samengevat weergegeven in overweging 4.2, tekent de Raad bij zijn oordeel aan dat Van der Stoep in zijn rapport van 2 november 2011 naar aanleiding van het hoger beroep van appellante heeft vermeld dat bij de vaststelling van haar psychische belastbaarheid is betrokken het psychisch onderzoek van de verzekeringsarts en de informatie van GGZ Delfland. Bij dit psychisch onderzoek werden - evenals trouwens bij het psychisch onderzoek op 4 januari 2010 door een verzekeringsarts in het kader van een beoordeling op grond van de Ziektewet - geen stoornissen door ziekte of gebrek vastgesteld, maar de informatie van GGZ Delfland gaf hem niettemin aanleiding de FML aan te passen op de wijze als vermeld in overweging 3. Uit de beschikbare medische gegevens, waaronder in het bijzonder die van de GGZ-Delfland, heeft de Raad niet kunnen opmaken dat deze aanpassing onvoldoende recht doet aan de door de verzekeringsarts vastgestelde problematiek. Gelet op een en ander vermag de Raad niet in te zien dat de vaststelling van de psychische beperkingen van appellante berust op onvoldoende onderzoek. Daarbij weegt de Raad mee dat de beschikbare medische gegevens mede zijn betrokken door Van der Stoep bij de uiteindelijke vaststelling van de belastbaarheid van appellante. Hetzelfde geldt voor de vastgestelde beperkingen ten aanzien van het hand- en vingergebruik naar aanleiding van de ter hoorzitting ter sprake gekomen problematiek van de rechter wijsvinger. Daarbij neemt de Raad in aanmerking hetgeen Van der Stoep in hoger beroep in aanvulling op zijn eerdere rapporten heeft opgemerkt over de beperking ten aanzien van alleen de bolgreep en meer in het algemeen ten aanzien van de handkracht rechts.

6.2. Uitgaande - in overeenstemming met overweging 6.1 - van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid, heeft de Raad ook geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank over de medische geschiktheid van de uiteindelijk geduide functies voor onjuist te houden.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2013.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) Z. Karekezi

TM