Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9632

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-4302 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling geen recht op een WIA-uitkering. Onderzoek zorgvuldig. Geen aanknopingspunten voor twijfel aan de medische geschiktheid van appellant voor de uiteindelijk geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4302 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 juni 2011, 10/3105 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 februari 2012 heeft mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat, meegedeeld de behandeling van de zaak voort te zetten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012.

Namens appellant is mr. R. Veerkamp, kantoorgenoot van mr. Jap-A-Joe, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als kok toen hij zich met ingang van 5 februari 2008 ziek meldde met een ontregelde suikerziekte en psychische klachten.

2.1. Appellant is in het kader van zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 7 december 2009 onderzocht door een verzekeringsarts. In een rapport van 10 december 2009 vermeldde deze arts dat geen lichamelijk onderzoek was verricht omdat de psychische klachten bepalend waren. De verzekeringsarts achtte een expertise door een psychiater aangewezen omdat hij bij zijn onderzoek geen goed beeld kon krijgen van de aard en de ernst van de vermelde klachten en ervaren belemmeringen.

2.2. De psychiater R.L. Leta heeft op 22 januari 2010 de gevraagde expertise uitgebracht. Leta concludeerde dat bij appellant niet kon worden gesproken van een psychiatrische stoornis in engere zin. De klachten kunnen worden beschouwd als een normale reactie op de beschreven relatie- en gezinsproblematiek. Het psychiatrisch onderzoek en het niveau van activiteiten uit het dagverhaal van appellant gaven geen aanleiding om te spreken van een stemmingsstoornis. Een persoonlijkheidsstoornis was er volgens Leta ook niet. Ten slotte vermeldde Leta dat hij bij zijn onderzoek geen beperkingen kon vaststellen.

2.3. In een nader rapport van 10 februari 2010 besprak de verzekeringsarts het rapport van Leta en stelde hij de diagnose spanningsklacht en diabetes mellitus. In verband met de veronderstelde matige instelling van de suikerziekte beperkte de verzekeringsarts appellant voor werken onder tijdsdruk en achtte hij hem aangewezen op relatief afgebakende taken in een duidelijke structuur, terwijl appellant in fysiek opzicht belastbaar werd geacht conform de normaalwaarde. De verzekeringsarts legde een en ander vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis hiervan berichtte de arbeidsdeskundige bij brief van 23 maart 2010 aan appellant dat hij geschikt was voor zijn eigen werk en voor geduide functies en dat het loonverlies bij dat laatste werd vastgesteld op 22,40%. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 30 maart 2010 vast dat voor appellant met ingang van 2 februari 2010 geen recht was ontstaan op een Wet WIA-uitkering.

3. In de bezwaarprocedure meldde appellant bij het medisch onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel dat hij naast psychische klachten ook last had van de nek en de linkerschouder. In zijn rapport van 27 juli 2010 nam Bockwinkel op dat er bij het onderzoek van de nek en schouder veel actief spierverzet was. Niettemin concludeerde Bockwinkel, mede gezien de informatie van de behandelende fysiotherapeut van 26 juli 2010, dat appellant enigszins beperkt was in het gebruik van de linkerschouder en, in mindere mate, van de nek. Anders dan de fysiotherapeut nam Bockwinkel echter geen beperkingen aan ten aanzien van langdurig zitten, staan en lopen omdat zulke beperkingen niet logisch en rechtstreeks af te leiden waren uit de gevonden afwijkingen. Ten slotte oordeelde Bockwinkel dat de verzekeringsarts appellant voldoende had beperkt voor zijn lichte psychische stoornis en voor zijn suikerziekte. Op basis van de door Bockwinkel aangepaste FML baseerde de bezwaararbeidsdeskundige blijkens diens rapport van 30 juli 2010 de schatting uiteindelijk op drie gedeeltelijk andere functies (en één reservefunctie) en berekende hij het loonverlies op 24,48%. Tevens lichtte hij de signaleringen bij die functies toe. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 3 augustus 2010 het bezwaar van appellant tegen het besluit van

30 maart 2010 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 3 augustus 2010 (bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank volgde appellant niet in zijn beroepsgrond dat het onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv niet zorgvuldig was geweest. Voorts zag de rechtbank geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de beperkingen onjuist zouden zijn vastgesteld en zij wees er in dit verband op dat van de zijde van appellant in beroep verder geen concrete medische gegevens zijn ingebracht die twijfel oproepen aan de juistheid van de voor de datum in geding geldende FML.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen, zag de rechtbank, gezien ook de volgens haar voldoende motivering van de signaleringen bij de uiteindelijk door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies, geen aanleiding voor het oordeel dat appellant deze functies niet zou kunnen vervullen.

5. In hoger beroep betoogde appellant - onder verwijzing naar de in overweging 3 vermelde brief van zijn fysiotherapeut - dat hij wel degelijk nadere medische informatie had ingebracht en hij wees ter onderbouwing van zijn standpunt voorts op een nadere brief van zijn fysiotherapeut van 17 augustus 2011.Verder stelde appellant dat de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over de functie productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180).

6.1. De Raad heeft in het hoger beroep geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De Raad tekent daarbij aan dat de rechtbank bij haar weergave van het onderzoek van Bockwinkel ook de door appellant bedoelde brief van de fysiotherapeut heeft vermeld en dat haar vaststelling over het ontbreken van nadere medische informatie alleen ziet op de beroepsprocedure. Wat betreft de in hoger beroep overgelegde informatie van de fysiotherapeut heeft de Raad geen aanknopingspunten om de reactie daarop van Bockwinkel van 29 augustus 2011 voor onjuist te houden. Deze reactie houdt in dat bij zijn onderzoek de klachten in verband met hypomobiliteit van de cervico thoracale overgang niet zodanig ernstig imponeerden dat daardoor meer beperkingen moesten worden gesteld dan waren opgenomen in de gewijzigde FML voor de schouder en de nek. Ten slotte wijst de Raad erop dat mr. Veerkamp ter zitting desgevraagd vermeldde niet te beschikken over nadere informatie over het door de fysiotherapeut vermelde orthopedisch onderzoek van appellant in september 2011.

6.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant door Bockwinkel aangepaste FML heeft ook de Raad geen aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de medische geschiktheid van appellant voor de uiteindelijk geduide functies. De Raad wijst erop dat de in hoger beroep herhaalde gronden tegen deze functies hoofdzakelijk verband houden met het standpunt van appellant inzake de voor hem geldende FML. Verder heeft mr. Veerkamp ter zitting desgevraagd de grond betreffende de reservefunctie productiemedewerker industrie laten vervallen.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) Z. Karekezi

TM