Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9628

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-4954 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling recht op een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Zorgvuldig medisch onderzoek. De functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd zijn in medisch opzicht geschikt voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4954 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juli 2011, 11/2919 WIA (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.L.B.Y. Bouyazdouzen, werkzaam bij ABFIAD Groep, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 24 oktober 2011 heeft mr. U.J. van der Veldt, advocaat, als opvolgend gemachtigde van appellant, nadere gronden van het hoger beroep ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoerige weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant was werkzaam als schoonmaker voor 38 uur per week. Hij is op 23 augustus 2004 voor dat werk uitgevallen wegens rugklachten, mede als gevolg van een aangeboren rugafwijking. Bij besluit van 7 augustus 2007 is vastgesteld dat voor appellant op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 20 augustus 2007, recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering.

1.3. Omdat de loongerelateerde WGA-uitkering voortduurde tot 20 augustus 2009, heeft het Uwv na een medisch en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 28 oktober 2009 vastgesteld dat appellant met ingang van 20 augustus 2009 recht heeft op een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.4. Bij besluit van 22 maart 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen over de belastbaarheid van appellant per 20 augustus 2009. De rechtbank is van oordeel dat appellant zijn standpunt, dat hij als gevolg van een auto-ongeval op 8 december 2008 meer beperkingen heeft dan is aangenomen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 oktober 2009, met de daarbij behorende bijlage C, afdoende is gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant op de in geding zijnde datum. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt herhaald dat bij het vaststellen van zijn beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met zijn nek-, schouder-, gewrichts- en duizeligheidsklachten alsmede toenemende longklachten als gevolg van een aangeboren zijdelingse verkromming van de wervelkolom. Appellant heeft, evenals in beroep, aangegeven dat er een onderzoek loopt bij het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam. Daarbij gaat het om een volledige evaluatie van (het beloop van) de klachten van appellant. Hoewel de uitslag nog niet bekend is, is volgens appellant vrijwel zeker dat daaruit zal blijken dat zijn klachten vanaf mei 2009 onjuist zijn ingeschat door de verzekeringsartsen. Appellant acht zich volledig arbeidsongeschikt en niet in staat tot het vervullen van de geselecteerde functies.

4.1. De Raad ziet geen aanleiding over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de medische grondslag van het bestreden besluit berust op een zorgvuldig onderzoek. De (bezwaar)verzekeringsartsen I. Eygur, F.L. van Duijn en A. Mirza hebben allen appellant op het spreekuur gezien, anamnese afgenomen, dossierstudie en medisch onderzoek verricht. De (bezwaar)verzekeringsartsen waren bekend met medische informatie van de behandelend sector met betrekking tot de aangeboren rugafwijking van appellant en de klachten die hij als gevolg daarvan heeft ondervonden en nog ondervindt. Uit zijn rapport van 17 september 2009 blijkt dat het medisch onderzoek van Van Duijn specifiek was gericht op de door appellant aangegeven klachten na het auto-ongeval op 8 december 2008. Van Duijn heeft aangegeven dat het auto-ongeval licht van aard was en slechts een laag energetisch effect op appellant heeft gehad. Gezien de ongestoorde nekbeweeglijkheid en minimale hypertonie, kan niet gesproken worden van een whiplash. Ook is geen functionele beperking gevonden aan de schouder en is de aangegeven duizeligheid niet aantoonbaar. Op basis van zijn verrichte onderzoek heeft bezwaarverzekeringsarts Van Duijn een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 september 2009 opgesteld. Bezwaarverzekeringsarts Mirza heeft zich kunnen verenigen met de beperkingen zoals vastgesteld in de FML van 21 september 2009. De Raad is uit de voorhanden medische gegevens niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsartsen met de klachten van appellant op onjuiste wijze rekening hebben gehouden. Nu appellant zijn (enkele) stelling dat hij op 20 augustus 2009 meer beperkt is dan aangenomen, in hoger beroep niet nader onderbouwd heeft met objectieve medische gegevens, is er geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. In dit oordeel ligt besloten dat geen aanleiding bestaat tot het benoemen van een deskundige.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de op 21 oktober 2009 vastgestelde FML moet ten slotte worden vastgesteld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 oktober 2009 voldoende toegelicht.

4.3. Gelet op de overwegingen 4.1 en 4.2 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. Baas

QH