Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9624

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
12-948 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 50%. Er is geen aanleiding gezien om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig of anderszins als onzorgvuldig aan te merken. Evenmin aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/948 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2011, 10/2292 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken in het geding gebracht, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Voor appellante is verschenen mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, kantoorgenoot van mr. Dayala. Het Uwv is vertegenwoordigd door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 13 april 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 30 december 2009 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij is aangegeven dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 50% is.

1.2. Bij besluit van 26 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 13 april 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.2. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante heeft aangevoerd dat haar klachten zowel fysiek als psychisch van aard zijn, met welke klachten bij de vaststelling van haar belastbaarheid onvoldoende rekening is gehouden. Appellante acht zich niet in staat in de door de verzekeringsartsen van het Uwv voor haar (maximaal) mogelijk geachte omvang van zes uren per dag arbeid te verrichten. Appellante heeft hierbij met name gewezen op haar braakneigingen, die nog worden versterkt indien zij met bepaalde geuren en stoffen in aanraking komt. In de bij de schatting gebruikte functies zou sprake zijn van deze geuren en stoffen. Voorts heeft appellante gewezen op klachten van hevige hoofdpijn. Genoemde

klachten hebben voorts weer gevolgen voor de nachtrust van appellante.

2.3. De verzekeringsartsen zijn tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake is van een posttraumatische stressstoornis, een obsessief-compulsieve stoornis, een chronisch vermoeidheidssyndroom en astma. De bezwaarverzekeringsarts, die zich heeft kunnen stellen achter het oordeel van de verzekeringsarts, heeft te kennen gegeven dat met de aangenomen beperkingen ten aanzien van stof, rook, gas en damp hieraan voldoende wordt tegemoet

gekomen. Het accent van de beperkingen van appellante is gelegen in haar obsessief-compulsieve stoornis, die in het bijzonder gevolgen heeft voor tijdsdruk gerelateerde activiteiten. Met de aangenomen beperkingen in het persoonlijk functioneren en de beperking in werktijden, is met deze klachten voldoende rekening gehouden, aldus de

bezwaarverzekeringsarts.

2.4. De door de verzekeringsarts geduide beperkingen in het sociaal functioneren kunnen volgens de bezwaarverzekeringsarts niet direct met de gestelde diagnoses in verband worden gebracht, maar zullen wel worden gehandhaafd. Aldus is naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts in ruim voldoende mate rekening gehouden met de beperkingen in de belastbaarheid van appellante.

2.5. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig of anderszins als onzorgvuldig aan te merken. Evenmin heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen, naast de resultaten van het eigen onderzoek, ook informatie hebben opgevraagd bij de behandelend psycholoog van appellante en dat appellante zelf geen medische informatie heeft ingebracht ter onderbouwing van haar

standpunt dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen.

2.6. Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Die functies zijn terecht geschikt geacht voor appellante, gelet ook op de door de bezwaararbeidsdeskundige verstrekte toelichting. In die functies is geen sprake van een werkomgeving met voor appellante te hoge concentraties van rook, gas of damp, dan wel sterk riekende (geur)stoffen. Ook kennen de functies geen voor appellante niet toegestane deadlines, productiepieken of hoog handelingstempo.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de voor haar vastgestelde beperkingen. Dit geldt vooral haar psychische beperkingen. Omdat haar beperkingen zijn onderschat, zijn ook de functies niet medisch passend. Ter zitting is namens appellante nader uiteengezet dat zij niet zozeer bezwaren heeft tegen de in de Functionele Mogelijkheden Lijst opgenomen afzonderlijke beperkingen, als wel tegen het feit dat zij in staat wordt geacht met de voor haar aangenomen beperkingen te werken in een omvang van 30 uur per week. Zij acht zich daartoe absoluut niet in staat en omschrijft haar belastbaarheid als in feite minimaal.

4.1. De Raad kan zich volledig vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en het door haar daarop gegronde oordeel, zoals weergegeven onder 2.1 tot en met 2.6.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellante haar eigen opvatting ook in hoger beroep niet aan de hand van toereikende objectief-medische gegevens heeft onderbouwd.

4.3. De namens appellante bij schrijven van 3 december 2012 ingezonden rapporten kunnen niet als zodanig worden beschouwd. De Raad wijst hierbij op het rapport van 6 december 2012, waarmee bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg op die rapporten heeft gereageerd. Deze reactie komt erop neer dat de ingezonden rapporten in overwegende mate een opsomming bevatten van de voor appellante van toepassing geachte diagnoses, welke diagnoses reeds bekend waren en waarmee ook is rekening gehouden.

4.4. De Raad kan zich met deze reactie verenigen. Genoemde stukken bevatten in het bijzonder geen op onderzoeksresultaten berustende conclusies omtrent de voor appellante ten tijde van belang van toepassing te achten beperkingen, welke zouden kunnen dienen ter onderbouwing voor de eigen opvatting van appellante.

4.5. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. Baas

TM