Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-3285 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Op grond van de beschikbare gegevens, waaronder het arrest van het gerechtshof, is komen vast te staan dat appellant zich in ieder geval op 25 augustus 2001 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn toenmalige schoonzus en dat hij niet integer heeft gehandeld door dit strafbare feit bij zijn indiensttreding of daarna niet te melden. Plichtsverzuim. De opgelegde straf van ontslag is niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3285 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 april 2011, 09/9258 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Minister van Justitie, thans de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

Datum uitspraak: 24 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. van Harmelen hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Harmelen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.M. Vastenburg, bijgestaan door drs. T.F. Tromp.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was vanaf 25 maart 2003 werkzaam als penitentiair inrichtingswerker (piw-er) bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).

1.2. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft de minister appellant geschorst op de grond dat tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld.

1.3. Bij vonnis van 2 april 2009 heeft de meervoudige kamer van de sector strafrecht van de rechtbank Dordrecht appellant voor het plegen van ontuchtige handelingen (ontucht) op 25 augustus 2001 met zijn toenmalige schoonzus die de leeftijd van 12 jaar maar nog niet de leeftijd van 16 jaar had bereikt en het meermalen verkrachten van die schoonzus in de periode van 8 januari 2002 tot en met 31 december 2003 veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf en betaling van € 6.000,- aan de benadeelde partij wegens geleden immateriële schade.

1.4. De minister heeft bij besluit van 16 juli 2009 op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) aan appellant met onmiddellijke ingang wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het aan appellant verweten plichtsverzuim omvat samengevat de volgende gedragingen:

- het zich schuldig maken aan verkrachting;

- het zich schuldig maken aan ontucht;

- hiervoor te zijn veroordeeld;

- niet integer handelen door deze strafbare feiten niet te melden bij de indiensttreding of

daarna;

- het tegenover zijn leidinggevenden volhouden dat hij geen strafbare feiten heeft begaan.

1.5. Bij besluit van 20 november 2009 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2009 ongegrond verklaard.

1.6. Bij arrest van 30 december 2010 heeft de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Gravenhage appellant vrijgesproken van verkrachting en hem voor het plegen van ontucht op 25 augustus 2001 veroordeeld tot 240 uur werkstraf.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de minister op grond van de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bekende gegevens, namelijk het strafdossier en het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 2 april 2009, deugdelijk heeft vastgesteld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht en verkrachting. Deze feiten zijn aan te merken als ernstig plichtsverzuim en rechtvaardigen reeds het strafontslag. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit kon de minister nog niet weten of redelijkerwijs vermoeden dat het gerechtshof niet bewezen zou achten dat appellant zijn schoonzus heeft gedwongen tot het verrichten van seksuele handelingen. De rechtbank heeft beoordeling van de overige verweten gedragingen en de vraag of het ontslag mede is gebaseerd op de in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder i, van het ARAR vermelde ontslaggrond uitdrukkelijk buiten beschouwing gelaten.

3. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of het verzwijgen van zijn vrijwillige relatie met zijn schoonzus plichtsverzuim oplevert als bedoeld in artikel 80 van het ARAR. Het ARAR kent in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder i, een aparte ontslaggrond voor het bij of in verband met indiensttreding verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen. Appellant vindt het strafontslag niet evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Het seksuele contact met zijn schoonzus op 25 augustus 2001 heeft plaatsgevonden toen hij nog lang geen ambtenaar was en was strafbaar omdat zij nog geen 16 jaar was. Hij heeft nadien zes jaar uitstekend als piw-er gefunctioneerd. Ter zitting van de Raad heeft appellant de ontucht ontkend en gesteld dat hij pas in 2004, toen zijn schoonzus 18 jaar was, gedurende ongeveer een half jaar een relatie met haar heeft gehad.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 15 september 2011, LJN BT1997) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing kan leiden is wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. In het kader van een disciplinair onderzoek moet het bestuursorgaan zelfstandig de feiten onderzoeken. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek, maar er is geen verplichting om het beschikbaar komen van zulke gegevens af te wachten.

4.1.2. Anders dan de rechtbank kennelijk heeft gemeend, volgt hieruit niet dat de toetsing door de rechter beperkt dient te blijven tot de gegevens waarover het bestuursorgaan de beschikking had ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

4.2.1. De ontkenning van de ontucht door appellant en zijn stelling dat hij pas in 2004 een relatie met zijn schoonzus heeft gekregen zijn niet geloofwaardig. In de loop van de procedure heeft appellante het seksuele contact met zijn schoonzus op 25 augustus 2001 steeds erkend met de kanttekening dat het met wederzijdse toestemming gebeurde.

4.2.2. Aan appellant kan worden toegegeven dat het wenselijk was geweest als de rechtbank zich ook had uitgesproken over de vraag of de minister het verzwijgen van de relatie ook aan het ontslag ten grondslag heeft mogen leggen. Mede gelet op het Gedragsprotocol integriteit DJI van juni 2002, dat integer gedrag definieert als gedrag dat onschendbaar, onkreukbaar en - vooral - rechtschapen is, had van appellant verwacht mogen worden dat hij melding had gemaakt van de ontucht. Het gebrek aan wetenschap van appellant over de strafbaarheid van zijn relatie met zijn schoonzus toen zij nog geen 16 jaar was, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Dat appellant zijn leidinggevende uiteindelijk in maart 2008, toen de politie hem had opgeroepen voor verhoor, alsnog op de hoogte heeft gesteld van deze relatie betekent niet dat vanaf zijn indiensttreding tot aan dat moment geen sprake is geweest van plichtsverzuim als bedoeld in artikel 80 van het ARAR. De minister heeft in dit verband in zijn besluitvorming weliswaar een vergelijking gemaakt met de inhoud van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder i, van het ARAR, maar deze grond niet mede aan het ontslag ten grondslag gelegd.

4.2.3. Op grond van de beschikbare gegevens, waaronder het arrest van het gerechtshof van 30 december 2010, is komen vast te staan dat appellant zich in ieder geval op 25 augustus 2001 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn toenmalige schoonzus en dat hij niet integer heeft gehandeld door dit strafbare feit bij zijn indiensttreding of daarna niet te melden.

4.3. Appellant heeft zich met de onder 4.2.3 vermelde gedragingen schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, zodat de minister bevoegd was om hem een disciplinaire straf op te leggen. Gelet op de aard en de ernst van de gedragingen en in aanmerking genomen dat van medewerkers bij de DJI mag worden verwacht dat zij van onbesproken gedrag zijn, acht de Raad de opgelegde straf van ontslag niet onevenredig. Een piw-er die zelf een misdrijf heeft gepleegd kan zijn geloofwaardigheid ten opzichte van gedetineerden verliezen en daardoor een onaanvaardbaar veiligheidsrisico vormen. Dat appellant gedurende een aantal jaren goed heeft gefunctioneerd maakt dit niet anders.

4.4. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak zal met verbetering van gronden worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J.T.P. Pot