Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9389

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
10/3510 WWB + 10/3511 WWB + 10/4061 WWB + 10/4062 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gelet op het grote aantal advertenties is er sprake geweest van handel in honden waarmee inkomsten konden worden gegenereerd. Schending inlichtingenverplichting door van de handel geen melding te doen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3510 WWB, 10/3511 WWB, 10/4061 WWB, 10/4062 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 april 2010, 09/4805 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante) en [C. te D. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 22 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft een nieuwe beslissing op bezwaar van 3 juni 2010 van het college en het daartegen gerichte beroepschrift van appellanten doorgezonden naar de Raad.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 11 december 2012. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving over de periode van 1 juli 2008 tot 1 januari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf 1 januari 2009 ontvingen appellanten bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van een bij de afdeling Sociale Zaken (SZ) van de gemeente Tilburg gerezen vermoeden dat appellante via Marktplaats.nl te [D.] (Marktplaats) handelt in honden, heeft het Team Fraudebestrijding van SZ een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader zijn, voor zover in dit geding van belang, inlichtingen ingewonnen bij Marktplaats, heeft op 14 mei 2009 met appellante een gesprek plaatsgevonden en is de nadien door appellante schriftelijk verstrekte informatie beoordeeld. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een Rapport uitkeringsfraude van 8 juni 2009 (rapport). In het rapport wordt melding gemaakt van een groot aantal door appellante vanaf 12 juli 2008 op Marktplaats geplaatste advertenties waarbij honden te koop zijn aangeboden, en van een mededeling van appellante tijdens het gesprek op 14 mei 2009 dat zij sinds een maand in het bezit is van negen chichu honden.

1.3. Op basis van het rapport heeft het college twee besluiten genomen. Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 12 juli 2008 tot en met 31 mei 2009 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van hen teruggevorderd. Bij besluit van 10 juni 2009 heeft het college de bijstand van appellanten per 1 juni 2009 ingetrokken.

1.4. Bij besluit van 17 september 2009 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2009 gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit in die zin herroepen, zo begrijpt de Raad, dat de bijstand slechts wordt ingetrokken en teruggevorderd over de maanden waarin appellante advertenties, waarmee honden te koop werden aangeboden, op Markplaats heeft gezet. Het bedrag van de terugvordering is nader vastgesteld op € 5.182,21 over de periode van 12 juli 2008 tot en met 31 december 2008 en op € 3.648,03 over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 mei 2009. Het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2009 is ongegrond verklaard. Tevens is aan appellanten een vergoeding toegekend voor de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand.

1.5. Aan de besluiten van 9 en 10 juni 2009 en bestreden besluit 1 ligt ten grondslag dat appellante heeft gehandeld in honden, dat daarvan geen mededeling is gedaan aan het college en dat als gevolg daarvan het recht van appellanten op bijstand niet (langer) kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1, voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand vanaf 1 juni 2009, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant tegen deze intrekking geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft het beroep van appellanten tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode van 12 juli 2008 tot en met 31 mei 2009, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellanten met inachtneming van haar uitspraak. Het beroep van appellante is ongegrond verklaard voor zover het betreft de intrekking van de bijstand van appellanten per 1 juni 2009. Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen, samengevat, dat het college ten onrechte bij de intrekking en de terugvordering van bijstand jegens appellanten geen onderscheid heeft gemaakt tussen de periode vóór en de periode vanaf 1 januari 2009, aangezien appellant tot die datum nog niet was betrokken bij de bijstandverlening aan appellante. Dat betekent dat appellant voor de periode die loopt tot 1 januari 2009 ten onrechte aansprakelijk is gehouden voor terugbetaling van de tot een te hoog bedrag aan appellante verleende bijstand. Verder heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op het grote aantal honden dat appellante via het internet te koop heeft aangeboden en het feitelijke bezit van negen honden op 14 mei 2009, het haar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat dit van invloed kon zijn op haar recht op bijstand. Door hierover geen mededeling te doen aan het college heeft appellante haar inlichtingenverplichting geschonden. Omdat appellante geen betrouwbare en verifieerbare bewijsstukken heeft overgelegd kan, aldus de rechtbank, niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van appellant is niet bestreden. Voor de gronden van het hoger beroep hebben appellanten verwezen naar wat in bezwaar en beroep is aangevoerd. Dat komt hierop neer dat zij ontkennen zich bezig te hebben gehouden met handel in honden en dat zij, voor zover dat in hun vermogen lag, wel hebben voldaan aan hun inlichtingenverplichting.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 3 juni 2010 een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 9 juni 2009. Daarbij heeft het college bepaald dat de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 12 juli 2008 tot 1 januari 2009 worden teruggevorderd van appellante en dat de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 mei 2009 worden teruggevorderd van appellanten. Dit besluit wordt met toepassing van de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling in hoger beroep betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

5.1. De besluiten van 9 en 10 juni 2009 samengenomen, loopt de in dit geding door de bestuursrechter te beoordelen periode wat de intrekking betreft van 12 juli 2008 tot en met

10 juni 2009.

5.2. Gelet op het grote aantal advertenties dat appellante vanaf 12 juli 2008 op Marktplaats heeft gezet, waarbij telkens een of meer honden te koop werden aangeboden, en in aanmerking genomen de daarbij gehanteerde verkoopprijzen, alsmede gelet op het aantal honden dat appellante op 14 mei 2009 in bezit had, heeft de rechtbank het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat in de te beoordelen periode sprake is geweest van handel in honden waarmee inkomsten konden worden gegenereerd. Het had appellante respectievelijk appellanten redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat dit van invloed kon zijn op (de omvang van) het recht op bijstand. Door hierover aan het college geen mededeling te doen heeft appellante onderscheidenlijk hebben appellanten de op haar/hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

5.3. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Een deugdelijke administratie van de transacties met de honden ontbreekt en op grond van de wel voorhanden zijnde gegevens is niet voldoende inzicht te verkrijgen over het geheel van de verrichte transacties en de in verband daarmee ontvangen inkomsten en uitgaven. De in de bezwaarfase door appellante overgelegde schriftelijke gegevens kunnen niet worden beschouwd als objectieve en verifieerbare gegevens aan de hand waarvan het recht van appellante(n) alsnog kon worden vastgesteld, aangezien onderliggende bewijsstukken ontbreken. De stelling van appellanten dat zij alsnog de informatie hebben verstrekt die zij redelijkerwijs konden verstrekken treft geen doel. Voor zover appellanten daarmee hebben willen aanvoeren dat zij in bewijsnood zijn komen te verkeren, wijst de Raad erop dat appellanten dit over zichzelf hebben afgeroepen. Het vertrekpunt in deze zaak is immers dat zij hebben nagelaten het college tijdig en volledig in te lichten.

5.4. Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

Het besluit van 3 juni 2010 (bestreden besluit 2)

5.5. Met bestreden besluit 2 heeft het college niet volledig voldaan aan de door de rechtbank gegeven opdracht. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 vernietigd zowel wat betreft de intrekking als de terugvordering over de periode van 12 juli 2008 tot en met 31 mei 2009. Bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar diende alsnog rekening te worden gehouden met het gegeven dat pas vanaf 1 januari 2009 sprake was van verlening van bijstand aan appellanten samen. Het college heeft evenwel volstaan met nadere besluitvorming op het punt van de terugvordering. Als gevolg daarvan is het gedeeltelijk ondeugdelijk gebleken intrekkingsbesluit van 9 juni 2009 in stand gebleven. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is in zoverre gegrond. Dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij is nagelaten opnieuw over de intrekking te beslissen en daarbij het door de rechtbank geconstateerde gebrek aan het met betrekking tot appellant genomen intrekkingsbesluit van 9 juni 2009 te herstellen. In dat verband is tevens van belang dat het college de intrekking van de bijstand over de maanden augustus 2008, oktober 2008 en februari 2009 bij het vernietigde bestreden besluit 1 al had teruggenomen, zoals mede blijkt uit de bijlage bij dat besluit.

5.6. Uit de rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.4 volgt dat de inhoudelijke beroepsgronden van appellanten tegen de intrekking van de bijstand over de in dit geding nog relevante maanden in de periode van 12 juli 2008 tot en met 31 mei 2009 niet slagen. Gelet daarop en met het oog op een finale beslechting van het geschil, ziet de Raad aanleiding om, met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, op dit onderdeel zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 9 juni 2009 gegrond te verklaren voor zover daarbij de bijstand van appellant over de periode van 12 juli 2008 tot en met 31 december 2008 is ingetrokken en voor zover daarbij de bijstand van appellante over de maanden augustus 2008 en oktober 2008 en de bijstand van appellanten over de maand februari 2009 is ingetrokken, het besluit van 9 juni 2009 in zoverre te herroepen, en het bezwaar tegen de intrekking voor het overige ongegrond te verklaren.

5.7. Met inachtneming van het voorgaande kan het in bestreden besluit 2 neergelegde terugvorderingsbesluit, waartegen - zo blijkt uit het beroepschrift van 6 juli 2010 - geen zelfstandige beroepsgronden zijn gericht, in stand worden gelaten.

6. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 472,-- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juni 2010 gegrond voor zover daarbij is

nagelaten een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellanten tegen de

intrekking van de bijstand over de periode van 12 juli 2008 tot en met 31 mei 2009;

- verklaart het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 9 juni 2009 gegrond voor zover

daarbij de bijstand van appellant over de periode van 12 juli 2008 tot en met 31 december

2008 is ingetrokkenen, voor zover daarbij de bijstand van appellante over de maanden

augustus 2008 en oktober 2008 is ingetrokken en voor zover de bijstand van appellanten

over de maand februari 2009 is ingetrokken;

- herroept het besluit van 9 juni 2009 in zoverre;

- verklaart het bezwaar tegen de intrekking voor het overige ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juni 2010 ongegrond voor zover daarbij over de

terugvordering van de bijstand over de periode van 12 juli 2008 tot en met 31 mei 2009 is

beslist;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 472,--;

- bepaalt dat het college het door appellanten in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.M. Overbeeke en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P.C. de Wit