Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
12-1010 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing (herhaalde) aanvraag om een vergoeding voor de aanschaf van een auto gevraagd omdat niet is gebleken dat appellant met geen enkele vorm van openbaar vervoer kan reizen is in overeenstemming met de medische adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Het bestreden besluit is voldoende deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Blijkens de aanwezige medische gegevens moet appellant in staat worden geacht om, zo niet met het openbaar vervoer, dan toch met de taxi te kunnen reizen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1010 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 24 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 januari 2012, kenmerk BZ01395133 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Daar is appellant verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1938, is erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat zijn psychische klachten in causaal verband staan met de vervolging. In de loop der tijd zijn aan appellant voorzieningen op grond van de Wuv toegekend zoals een vergoeding voor huishoudelijke hulp en tegemoetkomingen voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten, extra vakantie en telefoonkosten.

1.2. In juni 1994 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellant om hem in aanmerking te brengen voor een vergoeding voor de aanschaf van een auto. Eenzelfde verzoek heeft verweerder afgewezen bij besluit van 31 januari 2000, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 april 2000. In dat verband is overwogen dat niet is gebleken dat bij appellant sprake is van een totale beperking voor het gebruik van het openbaar vervoer.

1.3. Bij brief van 21 juli 2011 heeft appellant opnieuw om een vergoeding voor de aanschaf van een auto gevraagd. Verweerder heeft bij besluit van 24 oktober 2011, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, ook dit verzoek afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat appellant met geen enkele vorm van openbaar vervoer kan reizen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Voor het toekennen van een voorziening voor de aanschaf van een auto hanteert verweerder in het kader van artikel 20 van de Wuv het vereiste dat er sprake moet zijn van een absolute verhindering ten gevolge van causale aandoeningen om van het openbaar vervoer (trein, tram, bus en metro) en van de taxi gebruik te kunnen maken. Om in het kader van artikel 21 van de Wuv in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in die kosten geldt de eis dat de causale aandoeningen het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijken en daarnaast dat het gebruik van openbaar vervoer en taxi niet mogelijk is op grond van niet-causale aandoeningen. Dit beleid is in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wuv en mag, gelet op het inmiddels algemeen gebruikelijke karakter van de voorziening, strikt worden uitgelegd (CRvB 10 april 2008, LJN BD0034).

2.2. Het standpunt van verweerder dat zich bij appellant een zodanige situatie niet voordoet is in overeenstemming met de medische adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten op een door de arts G.L.G. Kho bij appellant verricht medisch onderzoek. Daarbij is ook betrokken de van de huisarts en de orthopedisch chirurg ontvangen informatie. Uit deze adviezen komt naar voren dat appellant nog steeds geen gebruik maakt van het openbaar vervoer omdat hij dat niet durft. Appellant weet niet of het gaat om angst dan wel niet prettig voelen. Meerijden met bekenden zou hij wel kunnen. Verder is het niet bekend of appellant in een taxi kan reizen want dat is nog nooit voorgekomen. Aangegeven is verder dat bij appellant geen lichamelijke beperkingen zijn om van het openbaar vervoer of taxi gebruik te maken.

2.3. De Raad acht het bestreden besluit met de genoemde adviezen voldoende deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Blijkens de aanwezige medische gegevens moet appellant in staat worden geacht om, zo niet met het openbaar vervoer, dan toch met de taxi te kunnen reizen. Medische gegevens die in een andere richting wijzen zijn door appellant niet ingebracht. De enkele omstandigheid dat appellant nimmer met een taxi heeft gereisd is onvoldoende om op basis daarvan te oordelen dat hij daartoe ook niet in staat zou zijn. Dat het reizen per taxi voor appellant financieel niet haalbaar is, is voor de toepassing van het onder 2.1 omschreven beleid niet van belang. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat zijn echtgenote, die in 2010 is overleden, wel over een vergoeding voor een auto beschikte.

2.4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moeten worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) M.R. Schuurman