Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
12-2180 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen (nieuwe) feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2180 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 24 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 februari 2012, kenmerk BZ01371674 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is in 1942 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië. In april 2006 heeft zij bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 8 augustus 2006, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 oktober 2006. Dit op de grond dat in onvoldoende is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Geoordeeld is dat bij het uit huis slepen van haar moeder appellante niet geconfronteerd is geweest met excessief geweld in de zin van de Wubo en dat een directe betrokkenheid bij beschietingen te Makassar tijdens de Bersiap-periode niet is komen vast te staan. Nader werd overwogen dat het zien van lijken niet onder de werking van de Wubo kan worden gebracht. Tegen het besluit van 31 oktober 2006 is geen beroep ingesteld.

1.2. In maart 2011 heeft appellante verzocht de onder 1.1. genoemde besluiten te herzien. Dat verzoek heeft verweerder afgewezen bij besluit van 8 juli 2011, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. In dat verband heeft verweerder overwogen - samengevat - dat ook nu niet is gebleken dat appellante is getroffen door onder de Wubo vallend oorlogsgeweld.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Voorop wordt gesteld dat voor het erkennen als burger-oorlogsslachtoffer als eerste voorwaarde geldt dat de aanvrager is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Pas als een zodanige betrokkenheid is vastgesteld, kunnen de medische gevolgen daarvan aan de orde komen. Bij onderhavige zaak heeft verweerder dan ook terecht zonder voorafgaand medisch onderzoek (her)beoordeeld of er sprake is geweest van een betrokkenheid van appellante bij oorlogsgeweld.

2.2. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellante ter ondersteuning van haar verzoek nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die verweerder bij de besluitvorming over de eerdere aanvraag niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.3. Met verweerder moet worden vastgesteld dat appellante geen (nieuwe) feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die kunnen leiden tot de conclusie dat zij oorlogsgeweld in de zin van de Wubo heeft meegemaakt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de verklaring van de zuster van appellante al eerder bij de beoordeling is betrokken en dat daarin geen oorlogsgebeurtenissen van appellante zijn vermeld. Ook het raadplegen van het dossier van de broer van appellante heeft geen gegevens opgeleverd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat appellante wel onder de Wubo vallend oorlogsgeweld heeft meegemaakt. De oorlogservaringen van de moeder kunnen bij de aanvraag van appellante niet worden betrokken. Het gaat om hetgeen appellante persoonlijk is overkomen.

2.4. Opgemerkt wordt nog dat in de voorhanden zijnde gegevens geen enkele aanwijzing is gevonden om te kunnen veronderstellen dat appellante internering in bewaakte kampen of dwangarbeid heeft ondergaan, zoals namens haar in bezwaar is gesteld.

2.5. Gezien het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) M.R. Schuurman