Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9371

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
10-4131 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. De Centrale Bestuurscommissie van de Stichting 1940-1945 heeft, na ingesteld onderzoek, aangegeven niet te kunnen verklaren dat betrokkene heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet. Onttrekking aan tewerkstelling levert op zichzelf geen verzet in de zin van de Wbp op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4131 BPW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

de erven van [A.], laatstelijk gewoond hebbende te [B.] (appellanten)

de Raadskamer WBP van de Pensioen en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 24 januari 2013

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WBP van de PUR.

Namens appellanten heeft [C.] beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 juni 2010, kenmerk BZ 2009 46, JZ/A60/2010 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet buitengewoon pensioen 1940 1945 (Wbp).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Appellanten zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. [A.] (betrokkene) is geboren in 1920. Op 1 november 2008 heeft zijn gemachtigde, [C.], een geschrift ingediend dat door verweerder mede is aangemerkt als een aanvraag om toekenning van een pensioen op grond van de Wbp. Betrokkene is op 4 december 2008 overleden.

1.2. De Centrale Bestuurscommissie van de Stichting 1940-1945 (Stichting) heeft, na ingesteld onderzoek, aangegeven niet te kunnen verklaren dat betrokkene heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet. De Stichting was voorts van mening dat het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wbp niet van toepassing is.

1.3. Bij besluit van 9 oktober 2009 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 24, vierde lid, van de Wbp van de negatieve verklaring van de Stichting af te wijken. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellanten is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. De gemachtigde van betrokkene heeft aan de aanvraag ten grondslag gelegd dat betrokkene heeft behoord tot de ondergrondse organisatie het Geheime Leger, die actief was in Neerpelt, België. Als zodanig is hij betrokken geweest bij verzetsactiviteiten. Daarvoor werd hij door de Duitsers gezocht en om die reden heeft hij moeten onderduiken, aldus de gemachtigde.

2.2. De Stichting heeft deze stellingen niet kunnen bevestigen. Uit haar rapport van 16 juni 2009 komt naar voren dat betrokkene zich heeft onttrokken aan gedwongen tewerkstelling en geregistreerd stond als werkweigeraar. Dat was de reden waarom hij werd gezocht en heeft moeten onderduiken. Van verzetsactiviteiten in de zin van de Wbp is de Stichting niet gebleken.

2.3. De Raad is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit op het rapport van de Stichting heeft mogen baseren. Het aan dit rapport ten grondslag liggende onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. De inhoud van het rapport is in overeenstemming met hetgeen betrokkene zelf in 1985 en 1986 heeft verklaard in het kader van een aanvraag op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv). Het door de gemachtigde van betrokkene overgelegde artikel uit de Kempener Koerier van 4 oktober 1995 wijst niet op verzetsactiviteiten van betrokkene. Hetzelfde geldt voor het overgelegde opstel ter nagedachtenis aan betrokkenes broer [F.]. Een lidmaatschap van het Geheime Leger wordt in die stukken wel genoemd, maar daarbij gaat het duidelijk alleen om betrokkenes broer [J.]. Ook wordt melding gemaakt van de arrestatie van [F.] bij een inval op het onderduikadres van [J.], maar daarvan was betrokkene slechts getuige omdat hij "die nacht toevallig [sliep] in het huis van [F.] en hoorde wat er gebeurde". Dat betrokkene zelf wegens verzetsactiviteiten werd gezocht, kan hieruit niet worden afgeleid. Ten slotte kan er niet aan worden voorbijgezien dat betrokkene in april 2008, ten overstaan van de rapportrice van de Stichting, op vragen naar zijn verzetsdaden heeft geantwoord : "Maar nee, onderduiker". Weliswaar verkeerde hij toen reeds in een geestelijke schemertoestand, maar in samenhang met zijn verklaringen uit 1985 en 1986 onderstrepen deze woorden toch dat hij zich niet als deelnemer aan het verzet maar als ondergedoken werkweigeraar beschouwde. Onttrekking aan tewerkstelling levert op zichzelf geen verzet in de zin van de Wbp op.

2.4. De slotsom luidt dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat verzet in de zin van de Wbp niet aannemelijk is geworden. Het beroep is dus ongegrond.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) M.R. Schuurman