Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
11-4780 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen herleving van bovenwettelijke (aansluitende) uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4780 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2011, 10/2235 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 24 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Oliemans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft de minister desgevraagd een ontbrekend stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Oliemans. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hendriks.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 december 2004 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan appellant, destijds werkzaam in het onderwijs, met ingang van 13 september 2004 een loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft het Uwv namens de minister aan appellant in aanvulling op zijn WW-uitkering een bovenwettelijke aanvullende en aansluitende uitkering toegekend. Daarbij is bepaald dat appellant na de einddatum van zijn loongerelateerde werkloosheidsuitkering nog gedurende vijf jaar recht heeft op een aansluitende uitkering. Omdat appellant met ingang van 11 april 2006 wegens ziekte niet meer beschikbaar was om te werken heeft het Uwv met ingang van die datum de WW-uitkering van appellant beëindigd. Bij besluit van 18 februari 2008 heeft het Uwv appellant met ingang van 8 april 2008 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend. Op 12 juni 2009 is de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant geëindigd. Met ingang van die datum is appellant in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering.

1.2. Bij brief van 30 september 2009 heeft appellant het Uwv verzocht hem - in overeenstemming met het onder 1.1 genoemde besluit tot toekenning van een bovenwettelijke uitkering - in aanmerking te brengen voor een dergelijke uitkering. Bij brief van 16 oktober 2009 heeft appellant Loyalis Maatwerk Administraties BV (Loyalis), de toenmalige uitvoeringsinstelling van de minister, gevraagd hem te informeren over de bovenwettelijke uitkering.

1.3. Bij besluit van 3 december 2009 heeft Loyalis appellant namens de minister meegedeeld dat toekenning van een WGA-uitkering een mogelijke herleving van de bovenwettelijke WW-uitkering uitsluit. Na daartegen gemaakt bezwaar is dit besluit bij het bestreden besluit van 12 april 2010 gehandhaafd. De minister heeft de onder 1.2 genoemde brief van 16 oktober 2009 aangemerkt als een verzoek van appellant om herleving van zijn aansluitende uitkering op grond van artikel 8 van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (BBWO). De minister heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat, gelet op het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van het BBWO in verbinding met artikel 21, tweede lid, onder d, van de WW, herleving van de aansluitende uitkering niet mogelijk is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - samengevat - overwogen dat appellant vanaf 8 april 2008, gelet op de hem met ingang van die datum toegekende loongerelateerde WGA-uitkering, was uitgesloten van het recht op een aansluitende uitkering krachtens het BBWO. De op appellant toepasselijke wettelijke bepalingen - in het bijzonder artikel 59, derde lid, van de Wet WIA - staan in de weg aan herleving van het recht op een aansluitende uitkering. Het betoog van appellant dat sprake is van een ongeoorloofd onderscheid tussen arbeidsgeschikten en gedeeltelijk arbeidsgeschikten heeft de rechtbank verworpen met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Almelo van 30 maart 2011, LJN BQ0631. Ook het beroep van appellant op de in artikel 23 van het BBWO neergelegde hardheidsclausule heeft de rechtbank verworpen.

3.1. Appellant heeft zich - gemotiveerd - gekeerd tegen het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank.

3.2. De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bij de beoordeling van dit geschil stelt de Raad voorop dat tussen partijen niet in geschil is, en ook voor de Raad vaststaat, dat appellant aan de ten tijde van belang toepasselijke regelgeving - verwezen wordt naar de door de rechtbank in rechtsoverweging 2.3 van de aangevallen uitspraak weergegeven bepalingen van het BBWO, de WW en de Wet WIA - geen aanspraak kan ontlenen op de door hem gewenste herleving van zijn bovenwettelijke (aansluitende) uitkering.

4.2. Voor zover appellant wenst aan te voeren dat de toepassing van de onder 4.1 genoemde bepalingen leidt tot een (volstrekt) onredelijke uitkomst wijst de Raad erop dat het de rechter op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrijstaat de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Dit betekent dat de rechter de keuzes van de wetgever dient te respecteren.

4.3. Appellant heeft een beroep gedaan op het - eind 2003 overeengekomen - sociaal plan bij de beëindiging van de bekostiging van oalt (onderwijs in allochtone levende talen). Appellant heeft betoogd dat hij op grond van dit plan nog gedurende acht jaar lang doorbetaald had moeten worden. Volgens appellant is het sociaal plan er kennelijk van uitgegaan dat ook in zijn situatie herleving van een recht op een aansluitende uitkering mogelijk was. De Raad volgt appellant niet in dit betoog. De minister heeft in het verweerschrift afdoende toegelicht dat (ook) het sociaal plan niet voorziet in herleving van de bovenwettelijke uitkering van appellant. De Raad leest in het sociaal plan met name ook geen toezegging dat de destijds bestaande regelgeving ondanks eventuele wijzigingen nadien onverkort zou worden toegepast. De Raad heeft ook geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de minister anderszins toezeggingen heeft gedaan waaraan appellant het vertrouwen kon ontlenen dat zijn bovenwettelijke uitkering was gegarandeerd. De Raad tekent in dit verband nog aan dat de regelgever in beginsel de ruimte heeft om voor de toekomst een wijziging in de regelgeving tot stand te brengen die ertoe strekt minder rechten toe te kennen dan voorheen het geval was.

4.4. Voor zover appellant betoogt dat de bestreden besluitvorming leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen de groep van arbeidsgeschikten en de groep van 35-80% arbeidsongeschikten, stuit dit betoog af op de uitspraak van de Raad van 16 juni 2011, LJN BR0111, waarin - voor zover hier van belang - het volgende is overwogen:

“5.3. In de systematiek van de Wet WIA en de totstandkomingsgeschiedenis van deze wet ziet de Raad voldoende rechtvaardigingsgronden voor een mogelijke ongelijke behandeling. Uit artikel 61 tot en met 63 van de Wet WIA volgt dat van degene die recht heeft op een WGA-uitkering (de gedeeltelijk arbeidsgeschikte) een deel van het inkomen uit arbeid in mindering wordt gebracht op de uitkering en hij het resterende deel dus mag ‘bijverdienen’. In de Memorie van Toelichting (TK 2004-2005, 30034, nr. 3, blz. 63) is daarover het volgende opgemerkt. “De WGA is dus zo vormgegeven dat er financiële prikkels bestaan om het werk te hervatten en om de werkzaamheden zoveel mogelijk uit te breiden. De prikkelstructuur is van groot belang voor het welslagen van de doeleinden van de WGA”. Gewezen is daarbij op het belang dat deze prikkelstructuur niet wordt doorkruist door eventuele bovenwettelijk aanvullingen in CAO’s. Voorts is van de zijde van de regering opgemerkt (TK 2004-2005, 30034 en 30118, nr. 43, blz. 14) dat één van de uitgangspunten van de Wet WIA is dat werken moet lonen en dat het onwenselijk is dat bovenwettelijke aanvullingen de prikkelstructuur doorkruisen, hetgeen bij alle soorten WGA-uitkeringen het geval zou kunnen zijn. Hoewel een sterke prikkel tot werkhervatting met name uitgaat van de zogeheten inkomenseis aan de hand waarvan wordt bepaald of de gedeeltelijk arbeidsgeschikte recht heeft op een loonaanvullings- dan wel een vervolguitkering, kan de aan deze uitkeringen voorafgaande loongerelateerde uitkering niet los worden gezien van die prikkelstructuur. Deze samenhang komt ook tot uitdrukking in de uitspraak van 30 september 2009, LJN BJ7053, waarin de Raad heeft geoordeeld dat bij vaststelling van het recht op loongerelateerde uitkering ook de inkomenseis expliciet moet worden vastgesteld. Derhalve moet worden aangenomen dat de prikkelstructuur van (groot) belang is, niet alleen bij de loonaanvullings- en de vervolguitkering, maar ook bij de loongerelateerde uitkering. De Raad is van oordeel dat een aanspraak op een bovenwettelijke aanvulling op een WGA-uitkering voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten ertoe kan leiden dat de prikkelstructuur van de Wet WIA wordt doorkruist. Dit is anders in het geval van een niet-arbeidsongeschikte werkloze, voor wie de prikkelstructuur niet aan de orde is.

5.4. Aan het voorgaande doet niet af dat voor inwerkingtreding van de Wet WIA sommige gedeeltelijk arbeidsongeschikten naast een WAO-uitkering en WW-uitkering ook een bovenwettelijke uitkering ontvingen, nu in de WAO geen prikkelstructuur vergelijkbaar met die van de Wet WIA was opgenomen.

5.5. Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat de weigering van de BBWO-uitkering in de situatie van appellant een passend en noodzakelijk middel is om het beoogde doel, voorkomen dat de BBWO-uitkering de doelstelling van de WIA doorkruist, te bereiken. Dit leidt de Raad tot het oordeel dat, indien en voor zover gedeeltelijk arbeidsongeschikten en (niet-arbeidsongeschikte) werklozen al zijn aan te merken als gelijke gevallen, er voor de ongelijke behandeling van deze groepen een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond aanwezig is.”

4.5. Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4.6. Gelet op dit oordeel is er geen ruimte voor de door appellant gevraagde veroordeling van de minister tot vergoeding van schade.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en B.J. van de Griend en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2013.

(getekend) J.Th. Wolleswinkel

(getekend) S.K. Dekker