Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-3659 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft appellant met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.Appellant is hierbij als plichtsverzuim ten laste gelegd dat hij meerdere malen het GBA-systeem en het SUWI-systeem voor niet zakelijke doeleinden heeft geraadpleegd; voorts heeft appellant ten onrechte geen toestemming gevraagd voor een nevenactiviteit (bedrijf).

Raad: Naar het oordeel van de Raad valt niet in te zien dat de door het college geschetste feiten en omstandigheden concrete aanwijzingen opleverden voor een vermoeden van een integriteitschending waar het gaat om het gebruik door appellant van het GBA-systeem en het SUWI-systeem. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat het Protocolintegriteitonderzoeken gemeente Amsterdam, kennelijk een beleidsregel, geen ruimte bood voor het vanwege het college uitgevoerde onderzoek. Opgemerkt moet echter worden dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 22 januari 2004, LJN AO3220, en CRvB 13 maart 2008, LJN BC7462 en TAR 2008, 122) het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs slechts dan niet is toegestaan indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Van dit laatste is in dit geval geen sprake. Daarbij wordt erop gewezen dat zonder een (vrij) strakke regeling als opgenomen in het Protocol het bijvoorbeeld steekproefsgewijze controleren van het gebruik van de gemeentelijke systemen door de medewerkers bezwaarlijk als ongeoorloofd zou zijn te beschouwen.

I.c. is gebleken dat appellant twaalf keer de GBA en twee keer het SUWI-net voor niet zakelijke doeleinden heeft geraadpleegd waarvan zeven keren in 2009. Appellant heeft deze raadplegingen niet betwist. (…)

De verwijzing van appellant naar de cultuur binnen zijn afdeling, hieruit bestaande dat wel vaker niet-zakelijke raadplegingen worden gedaan, kan hem niet baten. In de eerste plaats niet, omdat appellant te allen tijde een eigen verantwoordelijkheid bezit met betrekking tot het omgaan met vertrouwelijke gegevens. Zijn handelen is ook niet verenigbaar met door hem ondertekende geheimhoudingsverklaringen. In de tweede plaats niet, omdat van het bestaan van die cultuur niet is gebleken. Integendeel, de gedingstukken, waaronder berichten op intranet, wijzen erop dat van hogerhand nadrukkelijk is aangegeven dat - op straffe van disciplinaire maatregelen - zorgvuldig moest worden omgegaan met persoonsgegevens uit bedoelde systemen.

De Raad acht de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag gezien de aard en ernst van de hiervoor besproken gedragingen in het licht van de terecht gestelde eisen van betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van de afdeling, niet onevenredig aan het plichtsverzuim. Evenals het college acht de Raad alleen al deze gedragingen voldoende om het ontslag te schragen zodat een bespreking van niet opgegeven nevenactiviteiten achterwege kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/107
AB 2014/12 met annotatie van mr. M.A. Schneider
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3659 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2011, 10/1292 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 24 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.I. Feenstra, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M. Wijmans.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sedert 1 januari 2006 werkzaam als [functie] bij de [afdeling] van de gemeente Amsterdam.

1.2. Nadat het college appellant zijn voornemen daartoe had kenbaar gemaakt en appellant zich ter zake had verantwoord, heeft het college bij besluit van 16 december 2009 appellant met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, zoals bedoeld in artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Nieuwe Rechtspositieregeling van de gemeente Amsterdam. Appellant is hierbij als plichtsverzuim ten laste gelegd dat hij meerdere malen het GBA-systeem en het SUWI-systeem voor niet zakelijke doeleinden heeft geraadpleegd; voorts heeft appellant ten onrechte geen toestemming gevraagd voor een nevenactiviteit (bedrijf). Bij het bestreden besluit van 19 april 2010 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit van 16 december 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Appellant heeft allereerst aangevoerd dat het instellen van een onderzoek naar het gebruik door hem van voormelde systemen in strijd is met paragraaf 2.1 van het door het college vastgestelde Protocol integriteitonderzoeken gemeente Amsterdam (Protocol). Hierin is bepaald dat een onderzoek alleen plaatsvindt nadat er op grond van concrete aanwijzingen een vermoeden van een integriteitschending is ontstaan. Het college heeft hierover naar voren gebracht dat appellant begin februari 2009 op zijn werkplek is bezocht door zijn (oud)collega M, nadat zij tevoren telefonisch contact hadden gehad. Enige weken daarna is een leidinggevende telefonisch door M bedreigd. Het college meende toen dat moest worden onderzocht of appellant het telefoonnummer van die leidinggevende aan M, die banden zou hebben met het criminele milieu, had verstrekt. Naar de mening van het college kon toen ook een verdergaand onderzoek worden ingesteld naar het handelen van appellant.

3.2. Naar het oordeel van de Raad valt niet in te zien dat de door het college geschetste feiten en omstandigheden concrete aanwijzingen opleverden voor een vermoeden van een integriteitschending waar het gaat om het gebruik door appellant van het GBA-systeem en het SUWI-systeem. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat het Protocol, kennelijk een beleidsregel, geen ruimte bood voor het vanwege het college uitgevoerde onderzoek. Opgemerkt moet echter worden dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 22 januari 2004, LJN AO3220, en CRvB 13 maart 2008, LJN BC7462 en TAR 2008, 122) het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs slechts dan niet is toegestaan indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Van dit laatste is in dit geval geen sprake. Daarbij wordt erop gewezen dat zonder een (vrij) strakke regeling als opgenomen in het Protocol het bijvoorbeeld steekproefsgewijze controleren van het gebruik van de gemeentelijke systemen door de medewerkers bezwaarlijk als ongeoorloofd zou zijn te beschouwen.

3.3. Uit het door het Bureau Integriteit van de Interne Accountants Dienst na onderzoek uitgebrachte rapport van 11 september 2009 komt naar voren dat appellant twaalf keer de GBA en twee keer het SUWI-net voor niet zakelijke doeleinden heeft geraadpleegd waarvan zeven keren in 2009. Appellant heeft deze raadplegingen niet betwist. Tegenover de onderzoekers heeft appellant als reden voor de raadplegingen veelal het bieden van hulp in de privé-sfeer bij indienen van een bezwaarschrift opgegeven, waarvoor dan kennelijk het beschikken over bepaalde gegevens nodig was. Op de door de bezwaaradviescommissie DWI gehouden hoorzitting heeft appellant het echter doen voorkomen alsof de raadplegingen geschiedden om jongere medewerkers uit te leggen hoe de systemen werkten. Aan eerstbedoelde verklaringen moet doorslaggevende betekenis worden toegekend, nu deze zijn afgelegd op een moment voordat appellant de volledige draagwijdte van wat hem werd verweten, zal zijn gaan beseffen. Appellant heeft ook geen bewijs aangedragen dat zijn eerdere verklaring onjuist was.

3.4. De verwijzing van appellant naar de cultuur binnen zijn afdeling, hieruit bestaande dat wel vaker niet-zakelijke raadplegingen worden gedaan, kan hem niet baten. In de eerste plaats niet, omdat appellant te allen tijde een eigen verantwoordelijkheid bezit met betrekking tot het omgaan met vertrouwelijke gegevens. Zijn handelen is ook niet verenigbaar met door hem ondertekende geheimhoudingsverklaringen. In de tweede plaats niet, omdat van het bestaan van die cultuur niet is gebleken. Integendeel, de gedingstukken, waaronder berichten op intranet, wijzen erop dat van hogerhand nadrukkelijk is aangegeven dat - op straffe van disciplinaire maatregelen - zorgvuldig moest worden omgegaan met persoonsgegevens uit bedoelde systemen.

3.5. De Raad acht de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag gezien de aard en ernst van de hiervoor besproken gedragingen in het licht van de terecht gestelde eisen van betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van de [afdeling], niet onevenredig aan het plichtsverzuim. Evenals het college acht de Raad alleen al deze gedragingen voldoende om het ontslag te schragen zodat een bespreking van niet opgegeven nevenactiviteiten achterwege kan blijven.

4. Het hoger beroep kan dus niet slagen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en B.J. van de Griend en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2013.

(getekend) J.Th. Wolleswinkel

(getekend) S.K. Dekker