Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-3130 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijds ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie; ontslagbesluit. De stichting heeft onzorgvuldig gehandeld door betrokkene onvoorbereid met het ontslagbesluit te confronteren, zonder hem in de gelegenheid te hebben gesteld voorafgaand zijn zienswijze over het ontslagvoornemen te geven. De stelling van de stichting dat hier sprake was van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 4:11 van de Awb, omdat de vereiste spoed zich verzette tegen het horen van betrokkene, wordt niet gevolgd. Voorstelbaar is dat handhaving van betrokkene in zijn lestaken niet langer verantwoord was, maar dan valt nog niet in te zien waarom betrokkene niet tijdelijk van zijn lestaken kon worden ontheven, in afwachting van de afloop van de voornemenprocedure. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat bij de ontslagverlening de hoorplicht op zodanig ernstige wijze is geschonden, dat dit niet hersteld kon worden in de bezwarenprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/106 met annotatie van M.B. de Witte-van den Haak
TAR 2013/105
ABkort 2013/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3130 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 april 2011, 10/1163 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Stichting] (stichting)

[A. te B. ] (betrokkene)

Datum uitspraak: 24 januari 2013

PROCESVERLOOP

De stichting heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift met nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.G.A. Kellenaar, B. Smies, P. Tellema en A. van de Moesdijk. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. H.J.M. van Denderen, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was met ingang van 1 augustus 2009 op basis van een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd tot en met 31 juli 2010 werkzaam als docent Engels bij [werkgever]

1.2. Bij besluit van 17 november 2009 heeft de stichting betrokkene met ingang van 1 januari 2010 tussentijds ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor zijn functie zoals bedoeld in artikel 9.b.3, onder g, van de CAO VO 2008-2010 (CAO).

2. Het tegen het ontslagbesluit gemaakte bezwaar is door de stichting bij besluit van 30 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, behoudens enige aanvullingen en verbeteringen.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en bepaald dat betrokkene over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 juli 2010 alsnog aanspraak heeft op nabetaling van zijn volledige salaris. Daartoe heeft zij overwogen dat bij de ontslagverlening de in artikel 4:8 van de Awb geregelde hoorplicht op zodanig ernstige wijze is geschonden, dat dit onvoldoende hersteld kon worden in de bezwarenprocedure. Van een uitzondering op de hoorplicht als bedoeld in artikel 4:11 van de Awb was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank is voorts van oordeel dat betrokkene voorafgaand aan zijn ontslag onvoldoende kans heeft gekregen om zijn functioneren te verbeteren.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad onderschrijft het standpunt van de rechtbank dat de stichting onzorgvuldig heeft gehandeld door betrokkene op 17 november 2009 onvoorbereid met het ontslagbesluit te confronteren, zonder hem in de gelegenheid te hebben gesteld voorafgaand zijn zienswijze over het ontslagvoornemen te geven. Daarmee is niet alleen in strijd gehandeld met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals de rechtbank heeft overwogen, maar ook met artikel 9.b.8 van de CAO, dat een gewaarborgde voornemenprocedure kent voor een ontslagbesluit als hier aan de orde. Volgens die bepaling dient het voornemen per aangetekend schrijven aan de werknemer ter kennis te worden gebracht, die in de gelegenheid wordt gesteld om binnen drie weken na verzending van het voornemen zijn zienswijze mondeling dan wel schriftelijk kenbaar te maken.

4.2. De stichting heeft gesteld dat betrokkene tijdens het functioneringsgesprek van 15 oktober 2009 al afdoende was gewaarschuwd dat bij aanhoudend slecht functioneren tussentijds ontslag zou volgen. Daarom had van betrokkene mogen worden verwacht, dat hij naar aanleiding van dat gesprek spontaan een zienswijze kenbaar zou maken, aldus de stichting. Voor deze stelling is geen enkele steun te vinden in het schriftelijk verslag van het gesprek van 15 oktober 2009. Blijkens dat verslag is gesproken over een aantal klachten met betrekking tot het verloop van de lessen en over verbeteringen die nodig zijn. De conclusies luiden: “Een andere gang van zaken in de lessen is nodig in het belang van de leerlingen en betrokkene zelf. Betrokkene zal zich in de klas een andere houding moeten aanmeten: directer leerlingen aanspreken en duidelijker zijn in zijn verwachtingen en bedoelingen. Een goede lesvoorbereiding is een basisvoorwaarde voor verbetering. Betrokkene zal zich pro-actief opstellen in het vragen van advies en feedback bij collega’s.” In een reactie per e-mailbericht van 30 oktober 2009 heeft betrokkene weliswaar kanttekeningen geplaatst bij enkele punten uit het verslag, maar zich overigens wel aangesloten bij de bovengenoemde conclusies. Waar in het gespreksverslag geen enkele melding wordt gemaakt van een mogelijk dreigend ontslag, heeft de reactie van betrokkene ook niet het karakter van een zienswijze naar aanleiding van een ontslagvoornemen. Veeleer spreekt uit de reactie de intentie om alsnog tot verbetering te komen.

4.3. De stelling van de stichting dat hier sprake was van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 4:11 van de Awb, omdat de vereiste spoed zich verzette tegen het horen van betrokkene, wordt niet gevolgd. Daargelaten dat artikel 9.b.8 van de CAO geen uitzondering kent op de verplichte voornemenprocedure, kan ook niet worden volgehouden dat de situatie met een groeiende klachtenstroom en een verslechterend functioneren van betrokkene zo prangend was, dat het noodzakelijk was hoor en wederhoor achterwege te laten. Voorstelbaar is dat handhaving van betrokkene in zijn lestaken medio november 2009 niet langer verantwoord was, maar dan valt nog niet in te zien waarom betrokkene niet tijdelijk van zijn lestaken kon worden ontheven, in afwachting van de afloop van de voornemenprocedure. Overigens zou ontslagverlening per 1 januari 2010 ook hebben kunnen plaatsvinden indien het beginsel van hoor en wederhoor wel in acht zou zijn genomen.

4.4. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat bij de ontslagverlening de hoorplicht op zodanig ernstige wijze is geschonden, dat dit niet hersteld kon worden in de bezwarenprocedure. Reeds daarom wordt de beslissing die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gegeven bevestigd. Of de rechtbank terecht heeft overwogen dat betrokkene geen reële kans heeft gehad zijn functioneren te verbeteren kan terzijde blijven.

5. Er is aanleiding de stichting te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 472,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van de stichting een griffierecht van € 454,- wordt geheven;

- veroordeelt de stichting in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 472,-.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2013.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) S.K. Dekker