Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-3093 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen aanstellingsbesluiten; inschaling en werktijdfactor. Er is niet gebleken dat de stichting op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de bepalingen van de CAO. Het stond de stichting op grond van artikel 12.2, tweede lid, vrij bij de inschaling die laagste trede tot uitgangspunt te nemen. De stichting heeft terecht beslist, dat een situatie van (volledige) waarneming, zoals bedoeld in artikel 12.11, hier niet aan de orde is. Er was en is geen grond om appellant een financiële compensatie toe te kennen. De stichting heeft niet zonder grond gesteld dat, nu appellant destijds het rooster zonder protest heeft geaccepteerd en volgens dat rooster heeft gewerkt, gesproken kan worden van een afwijkende afspraak tussen stichting en appellant. Geen grond voor uitbreiding van de aanstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3093 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 april 2011, 10/520 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

[Stichting] (stichting)

Datum uitspraak: 24 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012. Appellant is verschenen. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.G.A. Kellenaar, B. Smies, P. Tellema en A. van de Moesdijk.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is bij twee besluiten van 13 oktober 2009 aangesteld als docent Engels, salarisschaal LB, trede 5, functieschaal LB. Besluit 1 betrof aanstelling voor bepaalde tijd met ingang van 24 augustus 2009 voor een werktijdfactor van 0,6112 fte, besluit 2 betrof aanstelling voor bepaalde tijd met ingang van 28 september 2009 tot en met uiterlijk

31 juli 2010 voor een werktijdfactor van 0,5057 fte.

2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanstellingsbesluiten, omdat hij zich, voor zover hier van belang, niet kon verenigen met de ingangsdatum van de aanstelling in besluit 1, met de inschaling en met de werktijdfactor. De stichting heeft bij besluit van 7 april 2010 (bestreden besluit) het bezwaar tegen de ingangsdatum van de aanstelling gegrond verklaard en deze nader bepaald op 1 augustus 2009. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

4.1. Appellant heeft gesteld dat de stichting bij zijn inschaling onvoldoende rekening heeft gehouden met relevante ervaring waarover hij beschikte. Hij heeft erop gewezen dat zijn huidige werkgever hem in verband met zijn ervaring hoger heeft ingeschaald en verlangt opwaardering van de aanstelling van trede 5 naar trede 12. De stichting heeft gesteld dat zij op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 12.2 en het specifiek voor zij-instromers als appellant toepasselijke artikel 12.3 van de CAO VO 2008-2010 (CAO).

4.2. Genoemde CAO-bepalingen luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

“12.2. Vaststelling maandsalaris bij indiensttreding

1. Het maandsalaris van de werknemer wordt bij indiensttreding vastgesteld op een bedrag dat niet lager is dan het laagste en niet hoger dan het hoogste bedrag zoals opgenomen in het bij de functie behorende carrièrepatroon.

2. Tenzij werkgever en werknemer anders overeenkomen, wordt bij de toepassing van het eerste lid het maandsalaris vastgesteld op een bedrag dat tenminste gelijk is aan het laatstgenoten salaris. (…)

3. De werkgever houdt bij het vaststellen van het maandsalaris rekening met de mate waarin de werknemer ervaring heeft opgedaan - betaald, dan wel onbetaald - die relevant is voor de functie waarin de werknemer wordt benoemd. De werknemer verstrekt de werkgever de gegevens die deze nodig heeft om de relevantie van de ervaring te beoordelen. (…)

12.3. Vaststelling maandsalaris bij benoeming in geval van onderbroken dienstverband

1. Bij de vaststelling van het maandsalaris (…) wordt voor elke periode van vier jaar waarin de werknemer geen onderwijsfunctie heeft vervuld, het maandsalaris met één periodiek verhoogd. (…)”

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet gebleken is dat de stichting op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan genoemde bepalingen van de CAO. Nu appellant geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn laatstgenoten salaris hoger was dan het salaris behorend bij de laagste trede van salarisschaal LB, stond het de stichting op grond van artikel 12.2, tweede lid, vrij bij de inschaling die laagste trede tot uitgangspunt te nemen. Appellant heeft niet aangetoond, dat zijn deels in Engeland opgedane werkervaring op het terrein van nieuwe media, marketing en communicatie van zodanige betekenis is voor het vervullen van zijn functie dat de stichting hem bij indiensttreding een hogere anciënniteit had moeten toekennen dan is geschied. De stichting heeft dan ook kunnen volstaan met het toekennen, overeenkomstig artikel 12.3, eerste lid, van vier anciënniteitsperiodieken in verband met het corresponderende aantal perioden van vier jaar die appellant buiten het onderwijs is werkzaam geweest, hetgeen resulteerde in inschaling in schaal LB, trede 5. Het gegeven dat appellant bij zijn huidige werkgever wel hoger is ingeschaald, doet niet af aan de juistheid van de hier in geding zijnde inschaling.

4.4. Appellant heeft voorts gesteld dat hij, aangezien hij feitelijk gedeeltelijk als vervangende leerkracht was aangesteld, op grond van artikel 12.11 van de CAO hetzelfde salaris had dienen te krijgen als de leerkracht(en) die hij verving. Artikel 12.11 heeft betrekking op de werknemer die bij wijze van waarneming wordt belast met de volledige waarneming van een tijdelijk afwezige werknemer voor wie een hogere maximumschaal geldt; in zo’n geval wordt vanaf de 31e dag van de vervanging een salaris vastgesteld alsof de waarnemer in die functie was benoemd. De vervanging waarop appellant zich beroept betreft echter het feit, dat appellant les heeft gegeven in een tweetal onderbouwklassen, die anders les zouden krijgen van één of twee andere collega’s, die niet beschikbaar waren wegens zwangerschap of ziekte. De stichting heeft terecht beslist, dat een situatie van (volledige) waarneming, zoals bedoeld in artikel 12.11, hier niet aan de orde is. Daar komt nog bij dat de desbetreffende leerkrachten geen hogere functie vervulden dan appellant, maar eveneens in een LB-functie waren benoemd. Appellant kan dan ook niet worden gevolgd in deze stelling.

4.5. Appellant heeft gesteld dat hij financiëel gecompenseerd had moeten worden omdat artikel 7.3 van de CAO, betreffende 20% lestaakreductie voor startende leraren, niet of onvoldoende bij hem is toegepast. De stichting heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar toegezegd dat zij zou nagaan of de CAO op dit punt gevolgd is. Ter zitting van de Raad kon niet worden opgehelderd of deze toezegging is nagekomen en of in voldoende mate lestaakreductie heeft plaatsgevonden. Maar ook als deze in onvoldoende mate zou hebben plaatsgevonden, is daarin nog geen grond gelegen voor een financiële compensatie. De reductie van lestaken die appellant eventueel had kunnen krijgen, zou zich immers hebben vertaald in andere taken die appellant voor de stichting had moeten verrichten en die hij nu niet heeft hoeven verrichten. Er was en is geen grond om hem een financiële compensatie toe te kennen.

4.6. Appellant heeft voorts nog aangevoerd dat hij voor meer dagdelen per week is ingezet dan in artikel 6.2, vierde lid, van de CAO is voorzien. Bij zijn werktijdfactor van 0,5057 had hij maximaal voor zes dagdelen mogen worden ingezet. In de praktijk heeft hij op zeven dagdelen moeten werken. Appellant vindt dat hij daarom destijds recht had op een werktijdfactor van tussen 0,6001 en 0,7000: de betrekkingsomvang die correspondeert met inzet op zeven dagdelen. Dat standpunt wordt niet gevolgd. Uit artikel 6.2, vierde lid, van de CAO blijkt immers dat een afwijkende afspraak tussen werkgever en werknemer mogelijk is. De stichting heeft niet zonder grond gesteld dat, nu appellant destijds het rooster zonder protest heeft geaccepteerd en volgens dat rooster heeft gewerkt, gesproken kan worden van een afwijkende afspraak tussen stichting en appellant. Hierbij is van belang, dat - naar door de stichting ter zitting van de Raad is aangegeven - de betrokken werknemer bezwaar kan maken tegen een inroostering op te veel dagdelen, waarna overleg plaatsvindt over eventuele aanpassing; houdt de werknemer voet bij stuk, dan wordt het rooster aangepast. Appellant heeft echter van deze bezwaarmogelijkheid geen gebruik gemaakt. Gelet op dit een en ander bestaat geen grond voor de door appellant bepleite uitbreiding van zijn aanstelling.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2013.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) S.K. Dekker