Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-4724 BBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing vervolgaanvraag Bbz 2004. Appellante heeft gesteld dat zij eerder vervolgaanvragen heeft ingediend bij de commissie en dat deze stukken steeds zijn kwijt geraakt. Appellante heeft deze stelling echter niet onderbouwd met bewijsstukken, zodat niet op grond van deze stelling van een eerdere aanvang van de periode kan worden uitgegaan. Geen sprake van een levensvatbaar bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4724 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 juni 2011, 11/1305 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

Datum uitspraak: 15 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Kortekaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kortekaas. De commissie heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft vanaf 1 oktober 1989 tot en met 31 december 2006 een bijstandsuitkering ontvangen. Op 2 mei 2007 heeft appellante bij de commissie een uitkering aangevraagd op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Zij was medio december 2006 begonnen met de exploitatie van een cafébedrijf. De commissie heeft bij besluit van 3 september 2007 deze uitkering aan appellante toegekend voor het jaar 2007. Daarbij heeft de commissie aan appellante meegedeeld dat de termijn tweemaal kan worden verlengd, waarvoor als één van de voorwaarden geldt dat er naar verwachting uiterlijk 36 maanden na de startdatum sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Verder heeft de commissie in het besluit aan appellante meegedeeld dat als zij in aanmerking wil komen voor een verlenging, zij kort voor het aflopen van de bijstandsperiode telefonisch een vervolgafspraak kan maken. De commissie heeft zich bij zijn besluit van 3 september 2007 gebaseerd op een advies van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK).

1.2. Appellante heeft op 20 augustus 2009 een vervolgaanvraag Bbz 2004 ingediend bij de commissie. Daarop heeft de commissie aan appellante gevraagd aanvullende gegevens in te dienen, namelijk de voorlopige cijfers met betrekking tot het boekjaar 2009, de jaarstukken/belastingaangifte met betrekking tot het boekjaar 2008 en de beschikking van de Belastingdienst waaruit blijkt welke voorlopige toeslagen appellante ontvangt.

1.3. Appellante heeft - ook na herhaald verzoek - slechts een deel van de gevraagde gegevens naar de commissie gestuurd. Vervolgens heeft de commissie bij besluit van 28 oktober 2009 aan appellante meegedeeld om die reden met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) haar aanvraag niet in behandeling te nemen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. De commissie heeft vervolgens appellante in de gelegenheid gesteld om alsnog de gevraagde gegevens over te leggen. Appellante heeft op 10 augustus 2010 de ontbrekende gegevens overgelegd. Deze nadere gegevens zijn voor de commissie aanleiding geweest om de aanvraag weer in behandeling te nemen.

1.4. De commissie heeft bij besluit van 20 januari 2011 het bezwaar ongegrond verklaard onder wijziging van de motivering, namelijk dat de door het IMK geraamde taakstellende (stijgende) omzet en resultaat niet zijn gehaald. Uit de boekhoudkundige gegevens blijkt integendeel van een dalende omzet. Bovendien zijn de bedrijfsactiviteiten op 6 juli 2010 feitelijk gestaakt. Er is daarom geen sprake van een levensvatbaar bedrijf en dus kan de uitkering op grond van het Bbz 2004 na 31 december 2007 niet worden voortgezet. Appellante heeft tegen het besluit van 20 januari 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de commissie de vraag naar de levensvatbaarheid van het bedrijf had moeten beoordelen op grond van de boekhoudkundige gegevens over 2007 en niet op grond van de gegevens nadien. Tot half 2008 was sprake van een levensvatbaar bedrijf.

4. De commissie heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Onder een levensvatbaar bedrijf wordt volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Volgens de toelichting op deze bepaling impliceert dit dat het inkomen toereikend moet zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

5.2. In dit geding ligt ter beoordeling voor of de commissie zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar was. Tussen partijen is in geschil van welke periode of peilmoment moet worden uitgegaan om de levensvatbaarheid te beoordelen.

5.3. In een geval als dit waarin de aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling is gesteld en na bezwaar bij het besluit op bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag wordt beslist, loopt de te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het besluit op bezwaar. Er is geen aanleiding om in dit geval van een andere periode uit te gaan. Appellante heeft gesteld dat zij eerder vervolgaanvragen heeft ingediend bij de commissie en dat deze stukken steeds zijn kwijt geraakt. Appellante heeft deze stelling echter niet onderbouwd met bewijsstukken, zodat niet op grond van deze stelling van een eerdere aanvang van de periode kan worden uitgegaan. Verder heeft de commissie de onder 1.2 genoemde stukken redelijkerwijs noodzakelijk kunnen achten voor het beoordelen van de levensvatbaarheid van het cafébedrijf van appellante en heeft hij eerst na ontvangst van die stukken een inhoudelijk besluit kunnen nemen. Dat betekent in dit geval dat de te beoordelen periode loopt van 20 augustus 2009 tot en met 20 januari 2011.

5.4. Gelet op de over die periode bekende bedrijfsresultaten kan niet worden gesproken van een levensvatbaar bedrijf, omdat deze resultaten toenemend negatief waren en niet beantwoordden aan de taakstellende omzet volgens het advies van het IMK. Dat houdt in dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.5. Overigens is het zo dat, als uitsluitend de situatie wordt beoordeeld op het moment van de aanvraag (20 augustus 2009), evenzeer moet worden aangenomen dat het bedrijf niet levensvatbaar was.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.J. Schaap en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) R. Scheffer