Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9331

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
10-3131 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om Wajong-uitkering. Gelet op het geheel van feiten en omstandigheden bestaat er voldoende grond om aan te nemen dat ten aanzien van appellant al voor 2006 sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, zodat appellant in elk geval al voor het jaar 2006 als ingezetene was aan te merken. Het bestreden besluit berust derhalve op een ondeugdelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3131 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 april 2010, 09/3 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 23 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft bij brief van 20 oktober 2010 met bijlage vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2012. Namens appellant was mr. Staal aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om zich uit te laten over de vraag vanaf welke datum gesproken kan worden van ingezetenschap van appellant.

Mr. Staal heeft op 26 juni 2012 een brief met bijlagen naar de Raad gezonden, waarop het Uwv bij brief van 2 augustus 2012 heeft gereageerd.

Het geding is opnieuw ter zitting aan de orde gesteld op 12 december 2012. Voormelde gemachtigde was aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren 19 september 1988 is samen met zijn moeder in 2000 uit Iran naar Nederland gekomen. Hij heeft een aanvraag ingediend om als vluchteling in Nederland te worden toegelaten welke aanvraag is afgewezen. Hij heeft op 28 januari 2003 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier “onder beperking in verband met het ondergaan van een medische behandeling”, welke vergunning hem is verleend. In 2007 heeft appellant gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verblijfsvergunning te krijgen op grond van de “regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude vreemdelingenwet” (de generaal pardonregeling), krachtens welke regeling hem een (reguliere) verblijfsvergunning voor een jaar is verleend, welke nadien voor vijf jaar is verlengd tot

15 juni 2013.

1.2. Op 31 oktober 2007 heeft appellant een aanvraag ingediend tot het ontvangen van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), welke aanvraag bij besluit van 28 april 2008 door het Uwv is afgewezen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 19 augustus 2006 valt te stellen op minder dan 25%.

1.3. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 november 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat er aanleiding bestaat om van de in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong opgenomen bevoegdheid gebruik te maken tot het geheel en blijvend buiten aanmerking laten van aan de wet te ontlenen aanspraken bij gehele arbeidsongeschiktheid die bestond op de dag dat betrokkene ingezetene werd. De in artikel 10, derde lid, van de Wajong opgenomen mogelijkheid om het gebruik van deze bevoegdheid buiten toepassing te laten ten aanzien van de jonggehandicapte die op de dag dat hij ingezetene werd jonger was dan 17 jaar en direct daaraan voorafgaand zes jaar ingezetene is geweest, is niet aan de orde: appellant is in 2005 17 jaar geworden en verbleef toen nog geen zes jaar in Nederland. Ook aan de in artikel 3, tweede lid van de Beleidsregels buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid (Stcrt. 2004, 115, Beleidsregels) gestelde voorwaarden om het buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid te beperken tot zes jaar na vestiging in Nederland, is niet voldaan.

2.1. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder meer gesteld dat wel aan de voorwaarden van artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregels is voldaan omdat het verkrijgen van een verblijfsvergunning door appellant op grond van de generaal pardonregeling gelijk is te stellen met de in bedoeld artikellid genoemde situatie dat iemand als vluchteling in Nederland is toegelaten. Het zou volgens appellant in overeenstemming zijn met de strekking van artikel 3 van de Beleidsregels om zijn situatie gelijk te stellen met het hebben verkregen van de vluchtelingenstatus.

2.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het beroep op gelijkstelling met het toegelaten zijn als vluchteling moet worden verworpen, omdat het bij de generaal pardonregeling gaat om een reguliere vergunning welke is te onderscheiden van het positief beslissen op een asielaanvraag. Voor zover de stelling van appellant op dit punt opgevat moet worden als een beroep op de “inherente afwijkingsbevoegdheid” van het Uwv als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, kan zulks appellant niet baten. Het verkrijgen van een verblijfsvergunning in het kader van de generaal pardonregeling kan niet als een bijzonder geval worden aangemerkt dat het Uwv had moeten nopen tot het in gunstige zin afwijken van de Beleidsregels.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn eerder aangevoerde gronden tegen het bestreden besluit herhaald en erop gewezen dat het Uwv ten onrechte uit is gegaan van volledige arbeidsongeschiktheid, terwijl daarvan ten tijde van zijn vestiging in Nederland geen sprake was.

3.2. Het Uwv heeft de stellingen van appellant bestreden en onder meer gesteld dat het tijdstip waarop appellant als ingezetene kan worden aangemerkt is gelegen in 2007, omdat toen (pas) definitief duidelijkheid bestond met betrekking tot zijn verblijfsstatus.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bij brief van 7 september 2010 heeft de Raad het Uwv onder meer gevraagd aan te geven op welke gronden in het bestreden besluit, in tegenstelling tot het primaire besluit, is aangenomen dat appellant arbeidsongeschikt was en dat deze arbeidsongeschiktheid bestond op de dag dat hij ingezetene werd. Het Uwv heeft daarop bij brief van 20 oktober 2010 een rapport van 28 september 2010 van, bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy, ingezonden. In dit rapport vermeldt Hovy dat bij appellant sprake is van een ernstige nieraandoening die snel progressief is: het creatine- gehalte steeg van 140 in 2001 naar 300 in 2006 en daarna naar 507 in 2008. In 2000 zal de waarde tussen 100 en 120 hebben gelegen, hetgeen slechts licht is verhoogd ten opzichte van de hoogste normaalwaarde voor mannen. Volgens deze bezwaarverzekeringsarts is bij een waarde van 300 het fulltime verrichten van licht werk op zich nog mogelijk. Dat betekent dat uitgaande van het jaar 2000 van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid nog geen sprake was. In een later rapport van 27 januari 2011 heeft Hovy gesteld, dat uitgaande van het jaar 2007 als moment waarop appellant als ingezetene zou zijn aan te merken, wel van volledige arbeidsongeschiktheid kan worden gesproken. Daarbij heeft hij gewezen op het rapport van 20 oktober 2010 van de arbeidsdeskundige J. den Hartog, die heeft aangegeven, dat op de achttiende verjaardag van appellant gelet op de gestelde beperkingen geen functies voor hem te duiden zijn.

4.2. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in het jaar 2000 in Nederland is gekomen en hier nadien onafgebroken heeft verbleven - onafgebroken verblijf vanaf april 2001 is een van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de generaal pardonregeling -, dat hij in Nederland onderwijs heeft gevolgd en stages heeft gelopen, hetgeen heeft geleid tot het behalen van enkele diploma’s, en dat hij vanaf 2001 voortdurend in Nederland onder medische behandeling is geweest. In een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 november 2003, 03/54194, is bepaald dat uitzetting van appellant achterwege dient te blijven tot vier weken nadat op het bezwaar van appellant is beslist. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen, dat het bezwaar van appellant een redelijke kans van slagen heeft, omdat het gaat om een medisch noodzakelijke behandeling waarvan niet zeker is dat deze op adequate wijze in het land van herkomst kan plaatsvinden. Deze uitspraak, die niet is gevolgd door een andersluidende uitspraak in een bodemprocedure, heeft geleid tot het verlenen van een vergunning als in de desbetreffende uitspraak bedoeld, welke is gevolgd door een verblijfsvergunning op grond van de generaal pardonregeling. Het moge zo zijn, zoals het Uwv heeft gesteld, dat de eerstbedoelde vergunning in verband met het ondergaan van een medische behandeling een tijdelijk karakter had, maar gelet op de aard van de aandoening van appellant - een nierinsufficiëntie van progressieve aard die uiteindelijk heeft geleid tot de noodzaak van nierdialyse, welke naar ter zitting is gesteld, inmiddels enkele keren per week dient plaats te vinden-, kan aan dit tijdelijk karakter, wat daar verder van zij, geen beslissende betekenis toekomen.

4.3. Gelet op het geheel van voormelde feiten en omstandigheden bestaat er voldoende grond om aan te nemen dat ten aanzien van appellant al voor 2006 sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, zodat appellant in elk geval al voor het jaar 2006 als ingezetene was aan te merken. Dit betekent dat, gelet op het rapport van Hovy waaruit volgt dat tot en met het jaar 2006 het gedurende hele dagen verrichten van lichte arbeid op zich niet is uitgesloten, niet gesproken kan worden van volledige arbeidsongeschiktheid op het moment dat appellant als ingezetene van Nederland is aan te merken. Het bestreden besluit berust derhalve op een ondeugdelijke grondslag.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt - nu een opdracht aan het Uwv op grond van artikel 21, zesde lid van de Beroepswet zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen uitspraken van de Raad inzake het begrip ingezetene-, dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5.1. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding merkt de Raad op dat het vernietigen van het bestreden besluit in dit geval meebrengt dat het Uwv in het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover een beslissing dient te nemen. Met betrekking tot de wijze waarop het Uwv de eventueel te vergoeden rente dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

5.2. Er bestaat aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant, te begroten op € 944,- in beroep en € 1.416,- in hoger beroep. Ook dient het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden.

BESLISSING.

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in

deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, ten

bedrage van in totaal € 1.955,-;

- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep aan appellant

vergoedt, te begroten op € 39,- in beroep en € 111,- in hoger beroep.

Deze uitspraak is gedaan door C.P J. Goorden als voorzitter en B.M. van Dun en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

TM