Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
24-01-2013
Zaaknummer
11-3361 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering ingevolge de WWB. De belastingteruggave van de WWB als inkomen worden toegerekend aan de periode waarop deze teruggave betrekking heeft. In dit geval heeft de teruggave betrekking op het jaar 2008. Dat de belastingteruggave zijn grondslag heeft in een verrekenbaar verlies over het jaar 2005 is niet van belang. Nu appellant in het gehele jaar 2008 een beroep op bijstand heeft gedaan, behoort de belastingteruggave tot de middelen waarover appellant pas naderhand heeft kunnen beschikken. Dit betekent dat het college terecht de belastingteruggave over 2008 heeft aangemerkt als inkomen dat betrekking heeft op een periode waarover bijstand is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3361 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 april 2011, 11/29 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

Datum uitspraak 22 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mes. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. De Belastingdienst heeft in een aanslag inkomstenbelastingen over het jaar 2008 van 11 juni 2010 vastgesteld dat appellant recht heeft op een teruggave van belastingen van € 2.753,-- (belastingteruggave).

1.2. Op 30 juni 2010 heeft appellant het college geïnformeerd over de belastingteruggave.

1.3. Bij besluit van 17 augustus 2010, zoals aangevuld bij besluit van 1 september 2010 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 december 2010 (bestreden besluit), heeft het college, voor zover hier van belang, onder toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, een bedrag van € 2.753,-- van appellant teruggevorderd. Daaraan ligt ten grondslag dat de belastingteruggave moet worden aangemerkt als inkomen over 2008 als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), waarover appellant pas naderhand de beschikking heeft gekregen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat het college de belastingteruggave ten onrechte heeft aangemerkt als inkomen over 2008. Deze teruggave vindt zijn oorsprong in het jaar 2005, toen appellant nog als zelfstandige werkzaam was en hij geen bijstand ontving.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor een weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. De belastingteruggave moet op grond van artikel 32, eerste lid, van de WWB als inkomen worden toegerekend aan de periode waarop deze teruggave betrekking heeft. In dit geval heeft de teruggave betrekking op het jaar 2008. Dat de belastingteruggave zijn grondslag heeft in een verrekenbaar verlies over het jaar 2005 is niet van belang. Nu appellant in het gehele jaar 2008 een beroep op bijstand heeft gedaan, behoort de belastingteruggave tot de middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB, waarover appellant pas naderhand heeft kunnen beschikken. Dit betekent voorts dat met de rechtbank moet worden geoordeeld dat het college terecht de belastingteruggave over 2008 heeft aangemerkt als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB, dat betrekking heeft op een periode waarover bijstand is verleend.

4.3. Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) R. Scheffer

HD