Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9288

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
11/3607 WWB + 11/3608 WWB + 11/4062 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blokkeren van de uitbetaling van de bijstand. Gegrond vermoeden. Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen inkomsten. Gezamenlijke huishouding. Beoordeling van twee periodes: voor en na 1 maart 2007. Anders dan de rechtbank en het college is de Raad van oordeel dat de onderzoeksresultaten onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante over de periode van 13 september 2006 tot 1 maart 2007. cursussen (...) heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3607 WWB, 11/3608 WWB, 11/4062 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 mei 2011, 10/1596 en 10/4186 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Houten (college)

Datum uitspraak 15 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M. Mauritz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mauritz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.A.J.M. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 december 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een op basis van waarnemingen op internet gerezen vermoeden dat appellante opleidingen tot nagelstyliste aanbood en dat zij lingerie via internet verkocht, heeft de Regionale Sociale Recherche Nieuwegein op verzoek van het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Tijdens dat onderzoek is tevens het vermoeden ontstaan dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met [V.]. In het kader van dat onderzoek heeft de sociale recherche dossieronderzoek gedaan, registers geraadpleegd, gegevens opgevraagd, internet geraadpleegd, bankafschriften onderzocht, waarnemingen verricht, de woning van appellante doorzocht, getuigen gehoord en appellante en [V.] verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 december 2009 (rapport).

1.3. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 23 december 2009 de betaling van de bijstand te blokkeren met ingang van 1 december 2009. Bij besluit van 23 april 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2009 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat op grond van het onderzoek van de sociale recherche het gegronde vermoeden bestond dat appellante de inlichtingenverplichting niet was nagekomen en dat geen recht op bijstand meer bestond of dat recht op een lagere uitkering bestond.

1.4. Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft het college voorts bij besluit van 19 mei 2010 de bijstand van appellante met ingang van 18 februari 2004 ingetrokken en de kosten van ten onrechte verleende bijstand over de periode van 18 februari 2004 tot 1 december 2009 tot een bedrag van € 49.316,69 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 1 november 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2010 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellante heeft nagelaten haar werkzaamheden voor “[bedrijf 1]” en haar werkzaamheden voor [bedrijf 2] bestaande uit het aanbieden van cursussen tot nagelstyliste en de verkoop van nagelproducten op te geven aan het college. Voorts heeft appellante nagelaten voor de werkzaamheden voor “[bedrijf 1]” inkomsten te bedingen en heeft zij nagelaten de uit de werkzaamheden voor [bedrijf 2] verkregen inkomsten op te geven aan het college. Appellante heeft voorts geen deugdelijke boekhouding of administratie overgelegd van de uit die werkzaamheden verkregen inkomsten. Daarbij heeft appellante vanaf maart 2008 een gezamenlijke huishouding gevoerd met [V.], zonder daarvan melding te maken bij het college. Gelet hierop kan het recht op bijstand vanaf 18 februari 2004 niet meer worden vastgesteld en bestond vanaf 1 maart 2008 geen recht op bijstand, omdat [V.] beschikte over een hoger inkomen dan de norm voor gehuwden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dat besluit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 18 februari 2004 tot en met 12 september 2006 en de terugvordering van de bijstand. De rechtbank heeft overwogen dat niet vaststond dat appellante op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht in het kader van de verkoop van lingerie via internet. Ten slotte heeft de rechtbank het college opgedragen in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante op geld waardeerbare arbeid heeft verricht over de periode van 18 februari 2004 tot en met 12 september 2006, zijnde de datum waarop de werkzaamheden als cursusleider/nagelstyliste zijn aangevangen.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 22 juni 2011 een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2010 (nader besluit). Daarbij heeft het college het bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 18 februari 2004 tot en met 12 september 2006 en de terugvordering van de bijstand over die periode en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft het college het over de periode van 13 september 2006 tot 19 mei 2010 van appellante terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 28.131,65.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze ziet op de blokkering van de betaling van de bijstand en op de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 13 september 2006 tot en met 19 mei 2010. Over de gezamenlijke huishouding heeft appellante, samengevat, aangevoerd dat zij niet kan worden gehouden aan haar tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen. Voor het voeren van een gezamenlijke huishouding bestaat onvoldoende feitelijke grondslag. Deze kan niet worden ontleend aan de onderzoeksgegevens betreffende het gebruik van energie en water. In de beide woningen van appellante en [V.] wordt immers energie en water verbruikt en er is geen verschil in het verbruik voor en na 1 maart 2008. Ook de waarnemingen, de telefoongegevens en de verklaringen van de buren bieden geen steun voor een gezamenlijke huishouding. Over het verrichten van werkzaamheden heeft appellante, kort gezegd, aangevoerd dat zij van plan was om in maart 2010 met haar bedrijf

[bedrijf 2] te beginnen. In de daaraan voorafgaande periode heeft zij slechts activiteiten ter voorbereiding daarvan verricht, die in het economisch verkeer geen waarde vertegenwoordigen. Haar cursisten hebben geen cursusgeld betaald, omdat appellante zich eerst verder wilde bekwamen in het geven van de cursussen. Aan de verkoop van startpakketten met nagelproducten heeft zij niet verdiend. Gelet op de door enkele cursisten tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen heeft appellante in ieder geval voorafgaand aan 2007 geen werkzaamheden verricht voor [bedrijf 2].

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad zal het nadere besluit op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in zijn beoordeling betrekken. In hoger beroep zijn uitsluitend de blokkering, de gezamenlijke huishouding en de werkzaamheden voor [bedrijf 2] in geschil. In hoger beroep loopt de te beoordelen periode inzake de intrekking en terugvordering van bijstand van 13 september 2006 tot en met 19 mei 2010.

De gezamenlijke huishouding

5.2.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB, is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.2.2. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

5.2.3. Het aanhouden van afzonderlijke woonadressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

5.2.4. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante en [V.] over de periode van 1 maart 2008 tot en met 19 mei 2010 beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Daarbij komt met name betekenis toe aan de verklaringen die appellante en [V.] tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. Appellante heeft onder meer verklaard dat [V.] sinds begin 2008 elke nacht bij haar slaapt, dat hij door de week overdag werkt vanuit zijn huis in [plaatsnaam] en dat hij wel elke avond bij haar komt en blijft slapen. [V.] heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat hij in maart 2008 is ingetrokken bij appellante, dat dit was toen de oudste zoon van appellante uit huis is gegaan en dat hij toen het merendeel van de tijd bij haar sliep. Appellante heeft ter zitting van de Raad nog aangevoerd dat zowel appellante als [V.] zich in hun verklaring bij de sociale recherche hebben vergist in het jaar waarop zij een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren. Daarbij heeft [V.] zich volgens appellante vergist in het jaar dat de oudste zoon uit huis is gegaan. Appellante heeft echter niet met objectieve gegevens onderbouwd dat [V.] zich op dat punt heeft vergist. Daarbij is ook niet aannemelijk dat zij zich allebei hebben vergist toen zij verklaarden dat [V.] in 2008 bij appellante is komen wonen.

5.2.5. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 januari 2012, LJN BV2512) mag in het algemeen van de juiste weergave van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat in het geval van appellante af te wijken van dit uitgangspunt. Uit de van de verhoren opgemaakte processen-verbaal blijkt dat zij na afloop van ieder verhoor haar verklaring heeft gelezen, dat zij heeft bevestigd dat deze weergeeft wat zij heeft verklaard, dat zij iedere bladzijde afzonderlijk heeft ondertekend en dat zij meermalen handgeschreven veranderingen of aanvullingen in de tekst heeft aangebracht. Op basis van de inhoud van haar verklaringen is voorts niet aannemelijk dat haar verklaring onder ontoelaatbare druk is afgelegd doordat de sociaal rechercheur bij het verhoor een onjuiste uitleg heeft gegeven over het voeren van een gezamenlijke huishouding. Appellante heeft immers in haar verklaring omschreven hoe de relatie van appellante en [V.] zich over een aantal jaren heeft ontwikkeld en daarbij tevens hun feitelijke woon- en leefsituatie omschreven.

5.2.6. De sociale recherche heeft over een aantal jaren voorafgaand aan 2009 de gegevens van [V.] en appellante opgevraagd over het gebruik van energie en water in hun woningen. Tussen 5 augustus 2009 en 25 september 2009 hebben tien waarnemingen plaatsgevonden in de woonomgeving van appellante en [V.]. Hierbij is gezien dat appellante gebruik maakte van de Audi van [V.] of dat deze auto of de BMW van [V.] in de omgeving van haar woning stonden geparkeerd. Het telefoongebruik van [V.] is onderzocht over de periode van 9 juli 2009 tot en met 7 oktober 2009. Twee naaste buren van appellante hebben, kort gezegd, verklaard dat op het adres van appellante alleen appellante en haar dochter wonen. Deze gegevens en verklaringen bieden weliswaar geen directe steun voor de conclusie dat [V.] vanaf maart 2008 zijn hoofdverblijf bij appellante had. Het tegendeel kan aan deze gegevens en verklaringen echter ook niet worden ontleend. Ook bevatten deze gegevens en verklaringen geen concrete aanknopingspunten op grond waarvan aan de juistheid van de onder 5.2.4 weergegeven verklaringen van appellante en [V.] zou moeten worden getwijfeld. Ook de verklaring van de gezinsvoogd van 9 juli 2010 werpt geen ander licht op die verklaringen. Uit de verklaring van de gezinsvoogd kan namelijk niet worden opgemaakt aan de hand van welke feiten en omstandigheden hij tot de conclusie komt dat appellante en [V.] niet eerder dan na de aankoop van een gezamenlijke woning in maart 2010 zijn gaan samenleven.

5.2.7. Uit 5.2.4 tot en met 5.2.6 volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en [V.] vanaf 1 maart 2008 tot en met 19 mei 2010 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van wederzijdse zorg. Aangezien tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake was van wederzijdse zorg geen zelfstandige beroepsgronden zijn aangevoerd behoeft dit criterium geen verdere bespreking. Dit leidt tot de slotsom dat appellante over de periode van 1 maart 2008 tot en met 19 mei 2010 de inlichtingenverplichting niet is nagekomen door niet aan het college op te geven dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [V.]. De daarop gebaseerde gebruikmaking van de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand is door appellante op zichzelf niet bestreden.

De werkzaamheden voor [bedrijf 2]

5.3.1. Een besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust. Het is daarom aan het college om aannemelijk te maken dat appellante in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting werkzaamheden en daaruit verkregen inkomsten heeft verzwegen.

5.3.2. Het door de betrokkene niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor weigering of intrekking van de bijstand indien door schending van die verplichting het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld.

5.3.3. Uit het rapport van de sociale recherche komt naar voren dat appellante beschikte over een eigen website, waarop zij onder de naam [bedrijf 2] tegen betaling opleidingen tot nagelstyliste aanbood. Appellante heeft hiervoor ook via advertenties op internet reclame gemaakt. Zij plaatste op 13 september 2006 een advertentie op opbieden.nl. Ook daarna adverteerde zij nog verschillende keren op marktplaats.nl en op 2dehands.nl. Blijkens de website varieerden de cursusprijzen van € 450,-- voor een cursus “[cursus 1]” tot € 75,-- voor een cursus “[cursus 2]”, waarbij € 50,-- voor reserveringskosten vooraf per bank moest worden overgemaakt. De sociale recherche heeft zes getuigen gehoord die allen hebben verklaard dat zij op verschillende data in 2007 of in 2008 tegen betaling een cursus voor nagelstyliste bij appellante hebben gedaan. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben hierover verder verklaard dat zij vooraf een bedrag van € 150,-- of € 200,-- hebben overgemaakt op een bankrekening ten name van [V.], dat zij op de dag van de cursus ook nog een bedrag van € 100,-- of € 450,-- contant hebben voldaan en dat zij een starterspakket met nagelproducten hebben ontvangen. [V.] heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat appellante zijn spaarrekening mocht gebruiken om het geld dat zij ontving voor het geven van cursussen op te storten en dat zij deze rekening heeft gebruikt om inkomsten af te schermen voor de sociale dienst van de gemeente [naam gemeente]. Uit het transactieoverzicht van deze rekening blijkt dat tussen 14 september 2008 en 8 december 2009 in totaal 23 maal stortingen zijn verricht van bedragen tussen de € 50,-- en de € 200,-- onder vermelding van de cursusnaam al dan niet met de toevoeging pakket.

5.3.4. De onder 5.3.2 en 5.3.3 vermelde onderzoeksresultaten bieden voldoende grondslag voor de conclusie van de rechtbank dat appellante cursussen heeft gegeven voor [bedrijf 2] en dat haar in dat kader ondernomen activiteiten in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. Gezien de onderzoeksbevindingen is niet geloofwaardig dat zij de daarvoor vereiste professionaliteit miste. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij geen betaling ontving voor het geven van de cursussen. Zij heeft haar stelling dat zij de aanbetaling verrekende met de materiaalkosten en dat zij, zonder daaraan te verdienen, nagelproducten tegen inkoopsprijs verkocht niet onderbouwd met verifieerbare gegevens. De door appellante opgestelde verklaring waarin staat dat de cursus gratis is en dat appellante geen winst maakt met de verkoop van producten kan daartoe niet dienen. Uit het onderzoek komt immers naar voren dat de cursisten niet deze verklaring, maar enkel de algemene voorwaarden hebben ondertekend. Bovendien hebben de onder 5.2.3 genoemde getuigen anders verklaard en is de door appellante in haar verklaring tegenover de sociale recherche genoemde vergoeding voor materialen van € 75,-- tot € 150,-- veel lager dan het bedrag dat vier van de zes getuigen verklaren aan haar te hebben betaald. De door appellante in hoger beroep overgelegde vijf verklaringen van cursisten leiden niet tot een andere conclusie.

5.3.5. Anders dan de rechtbank en het college is de Raad van oordeel dat de onderzoeksresultaten onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante ook voorafgaand aan maart 2007 cursussen voor [bedrijf 2] heeft gegeven. De eerste vermeldingen in het gastenboek op internet over het volgen van cursussen zijn van maart 2007. Niet aannemelijk is dat aan deze vermeldingen geen waarde kan worden toegekend, omdat appellante het gastenboek zelf zou hebben gevuld met positieve recensies. Het aantal en de uiteenlopende aard van de reacties is daarvoor te groot en bovendien zijn niet alle reacties enkel positief van toon. Op 13 juni 2007 heeft appellante immers gereageerd op een ontevreden cursist. Over de periode tussen de eerste advertentie van 13 september 2006 en de eerste vermeldingen in het gastenboek zijn verder geen gegevens beschikbaar. Ook ontbreken concrete aanwijzingen dat appellante in die periode al daadwerkelijk cursussen gaf of dat zij toen ter voorbereiding van het geven van cursussen werkzaamheden heeft verricht van een zodanige aard en omvang dat deze moeten worden aangemerkt als het verrichten van werkzaamheden die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. Dit betekent dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante tussen 13 september 2006 en 1 maart 2007 in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting werkzaamheden heeft verzwegen. Over de periode vanaf 1 maart 2007 heeft appellante, zonder daarvan melding te maken bij het college, op geld waardeerbare activiteiten verricht voor [bedrijf 2]. Daarbij heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij hiermee geen inkomsten heeft verworven. Appellante heeft niet bestreden dat zij van haar na maart 2007 verrichte werkzaamheden voor [bedrijf 2] geen administratie of boekhouding heeft bijgehouden. Als gevolg van de schending van de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft het college daarom niet kunnen vaststellen of, en zo ja in welke mate, appellante in de periode van 1 maart 2007 tot 1 maart 2008 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het college was dan ook bevoegd over die periode de bijstand van appellante in te trekken. Het college was daartoe echter niet bevoegd over de periode van 13 september 2006 en 1 maart 2007.

Blokkering

5.4. Naar vaste rechtspraak (CRvB 11 april 2006, LJN AW 5236) hangt het antwoord op de vraag of het blokkeren van de uitbetaling van de bijstand de rechterlijke toetsing kan doorstaan in het algemeen af van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans het gegronde vermoeden kan hebben, dat het recht op bijstand niet meer bestaat, dat slechts recht op een lagere uitkering bestaat, of dat de inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Uit 5.2 en 5.3 volgt dat bij het college op basis van de toen bekende onderzoeksresultaten op 23 december 2009 een gegrond vermoeden kon bestaan dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden en dat zij niet langer recht had op bijstand of dat zij recht had op een lagere uitkering. Het college is dan ook terecht tot blokkering van de uitbetaling van de bijstand is overgegaan.

Conclusies

5.5.1. Op grond van 5.4 komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking voor zover het de blokkering betreft. Uit 5.3.5 volgt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat onvoldoende grondslag bestaat voor intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 13 september 2006 tot 1 maart 2007. Om die reden zal de Raad de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit 2 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ook vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van bijstand over de periode van 13 september 2006 tot 1 maart 2007. De Raad ziet tevens aanleiding, zelf voorziende in de zaak, het besluit van 19 mei 2010 te herroepen, voor zover daarbij de bijstand van appellante is ingetrokken over de periode van 18 februari 2004 tot 1 maart 2007 en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 2. In aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, volgt hieruit dat aan het nadere besluit de grondslag is ontvallen. De Raad zal daarom - met gegrondverklaring van het beroep - ook het nadere besluit vernietigen. Gelet op 5.2 en 5.3 dient het college ervan uit te gaan dat het bevoegd is de kosten van de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 maart 2007 tot en met 19 mei 2010 van haar terug te vorderen. Appellante heeft de (wijze van) uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering niet bestreden.

5.5.2. In dit geval bestaat geen ruimte voor het doen van een tussenuitspraak over de terugvordering. Een opdracht aan het college op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. De Raad zal het college daarom opdragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante tegen de terugvordering. Het college dient daarbij voor zover nodig en voor zover dat nog niet is gedaan tevens een beslissing te nemen over de in de bezwaarfase gemaakte kosten.

6. Er bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 472,-- voor het indienen van een beroepschrift en € 472,-- voor het verschijnen ter zitting, in totaal € 944,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 13 september 2006 tot 1 maart 2007 in stand heeft gelaten;

-vernietigt het besluit van 1 november 2010 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 13 september 2006 tot 1 maart 2007;

-herroept het besluit van 19 mei 2010 voor zover daarbij de bijstand van appellante over de periode van 18 februari 2004 tot 1 maart 2007 is ingetrokken en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 1 november 2010;

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

-verklaart het beroep tegen het nadere besluit van 22 juni 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

-draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen voor zover het betreft de terugvordering, met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 944,--;

-bepaalt dat het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.J. Schaap en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) R. Scheffer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD