Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
24-01-2013
Zaaknummer
11-3357 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3357 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2011, 11/1538 en 11/1539 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 16 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2012. Voor appellant is mr. Kramer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 18 mei 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant feitelijk niet woonachtig is op voornoemd adres heeft een handhavingsspecialist van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een periodiek heronderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de DWI onder meer dossieronderzoek verricht, registers geraadpleegd en met appellant op 31 januari 2011 gesproken op het kantoor van de DWI. Tijdens dat gesprek heeft appellant onder meer verklaard dat hij af en toe een auto van een kennis mag lenen, dat hij met de auto ijzer en oude troep ophaalt bij verschillende vuilnisophaalplaatsen, dat hij per week ongeveer drie à vier kilo ophaalt, dat hij daarvoor € 25,-- à € 35,-- per week krijgt, dat er soms koper ligt waarvoor hij ongeveer € 50,-- ontvangt, dat hij van deze inkomsten geen administratie heeft bijgehouden, dat hij het ontvangen geld uitgeeft aan boodschappen en dat hij dit al vijf jaar doet. Aansluitend aan het gesprek heeft de DWI een huisbezoek afgelegd op het opgegeven uitkeringsadres [adres 1] te [woonplaats]. Tijdens het huisbezoek heeft appellant onder meer verklaard dat hij met het ophalen van ijzer, oude troep, lood en koper ongeveer in de winter van 2005 is begonnen, toen hij merkte dat hij niet rondkwam van zijn bijstandsuitkering. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 februari 2011.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 2 februari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 maart 2011 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2005 in te trekken. Aan de besluitvorming heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft geen melding gemaakt van de door hem tijdens zijn verklaringen van 31 januari 2011 genoemde werkzaamheden en van de daarmee verworven inkomsten. Bovendien heeft appellant nagelaten om duidelijk controleerbare gegevens met betrekking tot deze werkzaamheden en inkomsten over te leggen. Ten gevolge daarvan is het recht op bijstand vanaf 1 december 2005 niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De schending van de inlichtingenverplichting heeft niet tot gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is evident dat hij vanaf 1 december 2005 onveranderd recht heeft op een bijstandsuitkering. Daarbij is het, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk van belang dat het gaat om geringe inkomsten. De intrekking van de bijstand over de gehele periode vanaf 1 december 2005 is onredelijk.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De te beoordelen periode loopt van 1 december 2005, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 2 februari 2011, de datum van het primaire besluit.

4.2. Niet in geschil is dat appellant in die periode oud ijzer, oud papier, oude troep, koper en lood heeft opgehaald en heeft verhandeld en daarmee inkomsten heeft verworven. Evenmin is in geschil dat appellant van deze activiteiten en inkomsten geen melding heeft gemaakt aan het college en daarmee de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.3. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.4. Appellant is daarin niet geslaagd. Appellant heeft wel gesteld dat het slechts om geringe inkomsten gaat en dat hij in ieder geval recht heeft op aanvullende bijstand, maar heeft die stelling niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. De door hem verstrekte gegevens over de prijzen van oud ijzer en oud papier zijn daartoe onvoldoende, te meer daar hij wisselend heeft verklaard over zijn inkomsten uit handel in oud ijzer, oud papier en dergelijke. Zo heeft appellant in zijn bezwaarschrift vermeld dat hij met zijn handel € 10,-- à € 20,-- per week verdiende en heeft hij in beroep en hoger beroep verklaard dat dit € 25,-- à € 35,-- per maand was. Door geen deugdelijke administratie of boekhouding bij te houden, heeft appellant zelf het risico genomen dat hij achteraf de hoogte van zijn inkomsten niet meer kan aantonen.

4.5. Gelet op 4.2 tot en met 4.4 is niet vast te stellen of appellant in de hier te beoordelen periode (aanvullend) recht op bijstand had. Het college was dan ook bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2005 in te trekken. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. de Jong

HD