Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9282

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
11-4344 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand advocaatkosten t.b.v. verlenging verblijfsvergunning: vergoeding rechtshulpkosten binnen de voorliggende voorziening - de Wrb - als niet noodzakelijk aangemerkt. Bijzondere bijstand legeskosten: inrichtingsnorm voldoende om te kunnen reserveren.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechtsbijstand
Wet op de rechtsbijstand 12
Wet op de rechtsbijstand 13
Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria
Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/80
JWWB 2013/44
USZ 2013/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4344 WWB, 11/4345 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 9 juni 2011, 10/3198 en 10/3199 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Schagen (college), thans dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Kop van Noord-Holland (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak 16 januari 2013.

PROCESVERLOOP

De gemeente Schagen heeft zich per 1 juli 2012 aangesloten bij de gemeenschappelijke regeling Intergemeentelijke Sociale Dienst Kop van Noord-Holland. Als gevolg daarvan oefent het dagelijks bestuur per die datum de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door het college werden uitgeoefend.

Namens appellant heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2012. Voor appellant is verschenen mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. Kruseman. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C.D. de Haan-de Ronde.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant verblijft in een begeleid wonen project van GGZ Geesterkogge en ontvangt bijstand naar de norm voor een verblijf in een inrichting (inrichtingsnorm). Hij beschikt over een vergunning tot verblijf regulier voor bepaalde tijd die jaarlijks moet worden verlengd. Begin 2010 heeft appellant bij de minister van justitie een aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning ingediend.

1.2. Op 28 januari 2010 heeft appellant een aanvraag ingediend om toekenning van bijzondere bijstand op grond van de WWB in de kosten van rechtsbijstand door een advocaat tot een bedrag van € 946,05. De kosten hebben betrekking op het indienen van de in 1.1 bedoelde aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning van appellant.

1.3. Bij besluit van 29 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 januari 2011 (bestreden besluit 1), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit 1 heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. De Wet op de rechtsbijstand (Wrb) dient in beginsel te worden beschouwd als een voorliggende voorziening. Gelet op artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt) kan voor aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning geen toevoeging worden verleend. Dit betekent dat de kosten van rechtshulp voor dergelijke aanvragen binnen de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt.

1.4. Op 30 maart 2010 heeft appellant een aanvraag ingediend om toekenning van bijzondere bijstand op grond van de WWB in de legeskosten tot een bedrag van € 288,-- in verband met de onder 1.1 bedoelde verlenging van zijn verblijfsvergunning.

1.5. Bij besluit van 2 augustus 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 oktober 2010 (bestreden besluit 2), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit 2 heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Legeskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die in beginsel uit de bijstandsnorm dienen te worden voldaan, hetzij door middel van reservering hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat reservering voor de legeskosten niet mogelijk was.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond zijn verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Advocaatkosten

4.1. Appellant heeft aangevoerd dat ten onrechte is getoetst aan het Brt en dat het college een eigen afweging van de betrokken belangen moet maken bij de besluitvorming voor bijzondere bijstand voor advocaatkosten.

4.1.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij artikel 15 van de WWB is inkomensaanvulling op grond van de WWB niet aan de orde, indien binnen een voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr 3, blz. 46).

4.1.2. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 10 augustus 2010, LJN BN3897) dient voor de kosten van rechtsbijstand de Wrb in beginsel te worden beschouwd als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening.

4.1.3. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb bepaalt dat rechtsbijstand niet wordt verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

4.1.4. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Brt - tekst tot 1 september 2011 - wordt geen toevoeging verleend indien de rechtsbijstand uitsluitend is verzocht voor het indienen van aanvragen om toelating tot Nederland op grond van de Vreemdelingenwet, tenzij de rechtzoekende met onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling wordt bedreigd of de aanvraag betrekking heeft op een verzoek om toelating als vluchteling en niet kan worden volstaan met het verlenen van rechtshulp die voorafgaat aan het gehoor. Over artikel 8 van het Brt staat in de nota van toelichting (Stb. 1994, nr. 32, blz. 7) dat als algemene regel geldt dat het indienen van een aanvraag bij een bestuursorgaan een zaak is voor de rechtzoekende en het desbetreffende bestuursorgaan en dat dit bijvoorbeeld het geval is bij onder meer het aanvragen van een vergunning. Over artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Brt wordt in de nota van toelichting (Stb. 1994, nr. 32, blz. 8) opgemerkt dat, hoewel het aanvragen van een vergunning tot verblijf op zichzelf eenvoudig is, zich in de praktijk situaties kunnen voordoen waarin toevoeging gerechtvaardigd is. Die situaties doen zich voor indien onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling dreigt. Met ingang van 1 september 2011 luidt artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Brt als volgt: Geen toevoeging wordt verleend indien de rechtsbijstand uitsluitend is verzocht voor: a. het indienen van aanvragen om toelating tot Nederland op grond van afdeling 3 van hoofdstuk 3 van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij de rechtzoekende met onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling wordt bedreigd. De toelichting bij deze - tekstuele - wijziging luidt als volgt: “De oude formulering van het eerste lid, onderdeel a, van artikel 8 Brt was niet meer correct omdat werd verwezen naar de Vreemdelingenwet, die inmiddels is vervangen door de Vreemdelingenwet 2000. De oorspronkelijke bepaling beoogde te bereiken dat aanvragen om regulier verblijf in Nederland buiten het bereik van een toevoeging blijven. De gewijzigde formulering van deze bepaling is ook hierop toegespitst.”

4.1.5. Niet in geschil is - en gelet op 4.1.4 staat ook vast - dat een aanvraag om verlenging van een verblijfsvergunning regulier een aanvraag om toelating is in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Brt. Dit betekent dat op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Brt vergoeding van de kosten van een aanvraag voor verlenging van een vergunning tot verblijf regulier binnen de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk is aangemerkt, zodat het college niet bevoegd was om bijzondere bijstand te verlenen voor de door appellant gemaakte kosten van rechtsbijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in zijn geval sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond dat het college gehouden is een belangenafweging te maken bij de besluitvorming over bijzondere bijstand voor advocaatkosten niet.

Legeskosten

4.2. Appellant heeft aangevoerd dat hij voor de legeskosten niet heeft kunnen reserveren. De inrichtingsnorm is daartoe ontoereikend.

4.2.1. Het enkele feit dat appellant bijstand ontvangt naar de inrichtingsnorm brengt niet met zich dat hij niet heeft kunnen reserveren voor de legeskosten ten behoeve van de aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning. Appellant diende zijn verblijfsvergunning jaarlijks te verlengen, zodat hij een jaar lang heeft kunnen reserveren voor daarmee verband houdende legeskosten. Niet in geschil is dat appellant ten tijde van belang aan bijstand, inclusief ziektekostentoeslag, maandelijks € 318,80 ontving. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat, ook als daarvan de door hem opgegeven kosten - kosten premie ziektekostenverzekering, internet- en telefoonkosten en de kosten van een sportschoolabonnement - worden afgetrokken en rekening wordt gehouden met kosten die verband houden met kleding, schoeisel en dergelijke, dit bedrag ontoereikend was om te kunnen reserveren voor de legeskosten van € 288,--. Weliswaar lost appellant € 50,-- per maand af op een schuld aan zijn advocaat, maar het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichtingen worden niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die in het individuele geval verlening van bijzondere bijstand rechtvaardigt.

4.2.2. Gelet op 4.2.1 slaagt de beroepsgrond dat appellant niet heeft kunnen reserveren voor de legeskosten niet.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. de Jong

HD