Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
24-01-2013
Zaaknummer
11-236 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om aanvullende bijzondere bijstand. Anders dan de rechtbank ziet de Raad niet in dat appellant bij zijn verweer in eerste aanleg een wezenlijk ander standpunt heeft ingenomen dan uiteengezet en neergelegd in het bestreden besluit. Niet is gesteld of aannemelijk gemaakt dat betrokkene ten tijde in geding in aanmerking te nemen noodzakelijke bestaanskosten had die de voor hem geldende bijstands- of inkomensvoorzieningsnorm te boven gingen. Betrokkene heeft geen recht op aanvullende bijzondere bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/236 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 november 2010, 10/1604 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (appellant)

[A. te B.]

Datum uitspraak 15 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.E.L.Th. Balkema, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door D.J. de Feijter. Voor betrokkene is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren [in]i 1991, ontving ten tijde in geding een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) van € 491,99 netto per maand. Na een eerdere melding op 2 november 2009 bij het Uitvoeringsinstituut voor werknemersverzekeringen (UWV) voor een werkleeraanbod en inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ) diende betrokkene op 25 november 2009 een aanvraag in om aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud wegens het noodzakelijk uitwonend zijn. Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene over voldoende inkomsten beschikt om in de eerste levensbehoeften te voorzien.

1.2. Bij besluit van 23 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college, kort gezegd, het standpunt ingenomen dat de inkomsten uit Wajong-uitkering, die uitgaan boven de geldende norm ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en de WIJ, voor betrokkene toereikend zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het college in het verweerschrift en ter zitting een ander standpunt heeft ingenomen dan in het bestreden besluit. Met het oog op het nieuw te nemen besluit heeft de rechtbank nog het volgende overwogen (waarbij betrokkene als eiser is aangeduid en het college als verweerder):

“ (…) Tot 1 januari 2011 valt eiser nog onder de personenkring van de WWB. De WIJ moet tot die datum worden gezien als een voorliggende voorziening bedoeld in artikel 15 van de WWB, voor zover het de verlening van algemene bijstand betreft. Eiser heeft echter bijzondere bijstand aangevraagd op grond van artikel 12 van de WWB, in aanvulling op zijn Wajong-uitkering. Volgens het beleid van verweerder heeft eiser recht op aanvullende bijzondere bijstand wanneer hij noodzakelijk uitwonend is. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder niet onderzocht of eiser noodzakelijk uitwonend is, doch zich beperkt tot de niet nader onderbouwde stelling dat eiser geen woonlasten heeft. Verweerder dient derhalve een nader onderzoek in te stellen of eiser voldoet aan de in zijn beleid vastgestelde criteria voor noodzakelijk uitwonend zijn en aan de hand daarvan vast te stellen of eiser recht heeft op bijzondere bijstand.(…)”

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Anders dan de rechtbank ziet de Raad niet in dat appellant bij zijn verweer in eerste aanleg een wezenlijk ander standpunt heeft ingenomen dan uiteengezet en neergelegd in het bestreden besluit. Weliswaar is het besluit van appellant wat moeilijk leesbaar doordat daarin voor de motivering van het besluit wordt verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie en in dat advies op zijn beurt weer naar het ambtelijk rapport voor diezelfde commissie, maar - hoewel dit uit een oogpunt van kenbaarheid van de motivering van een besluit een minder gelukkige handelwijze is - kan per saldo niet worden gezegd dat de grondslag van het bestreden besluit nadien is verlaten. De tegen dat oordeel van de rechtbank gerichte beroepsgrond treft dan ook doel, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad hierna het beroep tegen het bestreden besluit ook verder inhoudelijk beoordelen.

4.2. In hoger beroep is nog uitsluitend de vraag aan de orde of betrokkene tijdens de hier te beoordelen periode van 2 november 2009 (datum eerste melding) tot en met 1 december 2009 (datum primair besluit) recht heeft op aanvullende bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud.

4.3. Artikel 12 van de WWB luidde ten tijde in geding als volgt:

“ Een persoon van 18,19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:

a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of

b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.”

4.4. Aan de destijds geldende richtlijn van de gemeente Arnhem ten aanzien van uitwonende jongmeerderjarigen wordt het volgende ontleend:

“ Indien de jongmeerderjarige uitwonend is komt hij alleen voor een BB-toeslag in aanmerking indien hij geen beroep op zijn ouders kan doen. Dit dient voorafgaande aan de bijzondere bijstandsverlening onderzocht te worden. Uit dit onderzoek kan naar voren komen dat: de ouders kunnen bijdragen (geen aanvullende BB); de ouders, gelet op het feit dat zij niet over toereikende middelen (inkomen tot 120% van het bijstandsniveau) beschikken, niet kunnen bijdragen (aanvullende bijstand is mogelijk); de jongere in redelijkheid zijn onderhoudsrecht niet te gelde kan maken (aanvullende bijstand is mogelijk). Het betreft die gevallen waarin:

* beide ouders in het buitenland wonen;

* beide ouders zijn overleden;

* de jongere op grond van een officiële maatregel uit huis is geplaatst;

* er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen ouders en jongere en de jongere daarom uitwonend is.

Onderzoek naar de vraag of de jongere noodzakelijk uitwonend is, is niet aan de orde.”.

4.5. Vaststaat dat betrokkene ten tijde in geding een Wajong-uitkering van € 491,99 netto per maand ontving. De voor hem toepasselijke norm ingevolge de WWB of WIJ bedroeg toen € 223,74 netto per maand. Betrokkene heeft op zijn inlichtingenformulier en tijdens een intakegesprek aangegeven dat hij tijdelijk bij een vriend verblijft dan wel inwoont. Hij heeft op het inlichtingenformulier geen woonkosten vermeld en bij het intakegesprek verklaard dat hij niet hoeft te betalen. Hij is wel een premie voor ziektekostenverzekering verschuldigd. Niet is gesteld of aannemelijk gemaakt dat betrokkene ten tijde in geding anderszins nog in aanmerking te nemen noodzakelijke bestaanskosten had die de voor hem geldende bijstands- of inkomensvoorzieningsnorm te boven gingen.

4.6. Dit betekent dat betrokkene reeds hierom geen recht heeft op bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12 van de WWB. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld brengt dit mee dat de vraag of, en zo ja waarom, hij geen beroep kan doen op zijn ouders in dit geval niet van belang is en daarmee evenmin hoe het beleid, dat een uitwerking betreft van juist dit aspect, zou moeten worden uitgelegd. De in dat kader gegeven opdracht tot nader onderzoek en verdere besluitvorming, nog daargelaten of die op een juiste lezing van het geldende beleid berust, is dus ten onrechte gegeven.

4.7. Uit 4.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor vernietiging in aanmerking en het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover aangevochten, dient ongegrond te worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 maart 2010, voor zover aangevochten, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) P.J.M. Crombach

KR