Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
24-01-2013
Zaaknummer
11-6361 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag van een toeslag dan wel een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wubo. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de adviezen van de geneeskundig adviseurs deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6361 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B.]

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak 10 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 september 2011, met kenmerk BZ01326648 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1941 in het toenmalige Nederlands-Indië, heeft in 2002 een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van 5 juni 2002 is deze aanvraag afgewezen. Daaraan lag ten grondslag dat niet is gebleken dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld. Het bezwaar van appellante daartegen is bij besluit van 20 augustus 2002 ongegrond verklaard.

1.2. In augustus 2010 heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenning van een toeslag dan wel een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wubo.

1.3. Bij besluit van 15 april 2011 heeft verweerder alsnog erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, te weten directe betrokkenheid bij de gerichte beschietingen tijdens een evacuatie naar een kamp in Batavia gedurende de Bersiap-periode. Haar aanvraag om toekenning van een toeslag dan wel een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wubo is afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat bij appellante geen sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van het door haar ondergane oorlogsgeweld.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Blijvende psychische invaliditeit in de zin van de Wubo acht verweerder aanwezig, als - voor zover hier van belang - een betrokkene als gevolg van psychische klachten beperkingen heeft in minstens twee van de vier rubrieken die de American Medical Association (AMA) kent, te weten “dagelijkse activiteiten”, “sociaal functioneren”, “concentratie, doorzettingsvermogen en tempo” en “aanpassing aan stressvolle omstandigheden”. De Raad heeft in vaste rechtspraak deze door verweerder gehanteerde maatstaf aanvaard (CRvB 5 april 2012, LJN BW1768).

2.2. Door verweerder is het standpunt ingenomen dat appellante voor de toepassing van de Wubo in geen van de onder 2.1 vermelde rubrieken is beperkt. Het geding spitst zich toe op de vraag of door verweerder terecht is aangenomen dat appellante (ook) in de rubrieken dagelijkse activiteiten en sociaal functioneren geen in aanmerking te nemen beperkingen heeft.

2.3. Het standpunt van verweerder berust primair op het door geneeskundig adviseur G.L.G. Kho, arts, op 12 april 2011 uitgebrachte advies, dat tot stand is gekomen na een gericht medisch onderzoek op 23 maart 2011. In dit advies is vermeld dat, gezien de tijdens het onderzoek door appellante opgegeven frequentie van optredende nachtmerries en angstaanvallen, geen sprake is van een beperking in de rubriek dagelijkse activiteiten. Daarbij is opgemerkt dat appellante heeft verklaard dat deze frequentie minder is dan is vermeld in het advies van geneeskundig adviseur G.J. Laatsch, arts, van 4 maart 2011, dat is opgesteld in het kader van een beoordeling op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verder is volgens Kho evenmin sprake van een beperking in de rubriek sociaal functioneren. Hierbij is vermeld dat in het kader van de Wubo, anders dan in het kader van de AOR, uitsluitend het huidige functioneren bepalend is. In de bezwaarfase heeft geneeskundig adviseur A.J. Maas, arts, op 8 juli 2011 een rapport uitgebracht. Hierin is aangegeven dat Kho een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht en dat er geen aanleiding is om het advies van Kho niet te volgen. Daarbij is ter aanvulling op dit advies vermeld dat de door Laatsch geconstateerde beperkingen in de rubriek sociaal functioneren, zo deze nog actueel zijn, zijn toe te schrijven aan de affectloze houding van de vader van appellante en geen verband houden met de in het kader van de Wubo van belang zijnde oorlogservaringen.

2.4. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de onder 2.3 genoemde adviezen van de geneeskundig adviseurs Kho en Maas deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt. Dat in het kader van de AOR wel beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken dagelijkse activiteiten en sociaal functioneren, maakt dit niet anders. Bij het begrip invaliditeit in de zin van de Wubo gaat het om de feitelijk en actueel in het leven van alledag ondervonden beperkingen (CRvB 29 april 2009, LJN BI3099). De AOR kent eigen - ruimere - toekenningscriteria. In de adviezen van geneeskundig adviseurs Kho en Maas is inzichtelijk gemotiveerd dat ten tijde van de aanvraag geen sprake was van relevante beperkingen in minstens twee rubrieken.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) V.C. Hartkamp

HD