Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9152

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
24-01-2013
Zaaknummer
11-6851 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Appellante is achteraf alsnog een uitkering ingevolge de Wajong toegekend. Deze uitkering heeft mede betrekking op de periode waarover appellante bijstand is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6851 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 oktober 2011, 10/625 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Vianen (college)

Datum uitspraak 22 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hermsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 10 december 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar. Eind juni 2009 is bekend geworden dat appellante met ingang van 25 september 2008 in aanmerking is gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Die uitkering was hoger dan de aan appellante verleende bijstandsuitkering.

1.2. Bij besluit van 25 juni 2009 heeft het college, voor zover hier van belang, de kosten van bijstand over de periode van 10 december 2008 tot 1 juni 2009 tot een bedrag van € 1.044,65 van appellante teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 4 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering worden overgegaan.

4.2. Vaststaat dat appellante achteraf alsnog een uitkering ingevolge de Wajong is toegekend en dat deze uitkering mede betrekking heeft op de periode waarover appellante bijstand is verleend. Hieruit volgt dat het college bevoegd was de kosten van bijstand terug te vorderen op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.

4.3. Appellante heeft aangevoerd dat er reeds volledige verrekening van het teruggevorderde bedrag aan bijstand met de uitkering ingevolge de Wajong heeft plaatsgevonden en dat het college daarom ten onrechte van haar een bedrag van € 1.044,65 heeft teruggevorderd. Uit de door appellante in hoger beroep overgelegde gegevens blijkt echter dat het UWV eerst over de maanden november 2009 (€ 364,13), december 2009 (€ 364,13) en januari 2010 (€ 316,39) bedragen op de Wajong-uitkering heeft ingehouden ter verrekening met eerder verleende bijstand.

4.4. Ter zitting is namens het college verklaard dat wat teveel is verrekend of afgelost naderhand weer is hersteld en aan appellante is nabetaald. De omstandigheid dat appellante inmiddels niets meer aan het college hoeft terug te betalen, doet, anders dan appellante meent, op zichzelf niets af aan de juistheid van het bestreden terugvorderingsbesluit.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M. Sahin

IJ