Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9080

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
12-191 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. Er is geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/191 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 1 december 2011, 11/455 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (college)

Datum uitspraak 22 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.A. van der Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 december 2012. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 19 juni 2008 algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In verband met haar verhuizing van Biervliet naar Terneuzen heeft zij op 6 juli 2009 bij het college bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de eerste maand huur, betaling van een waarborgsom en inrichtingskosten.

1.2. Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college die aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 15 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het gaat hier om kosten die, als ze noodzakelijk zijn, gerekend worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

4.2. Appellante heeft aangevoerd dat in haar geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden. Haar echtgenoot heeft plotseling de echtelijke woning verlaten en geweigerd om bij te dragen in de woonlasten en de kosten van levensonderhoud van appellante en haar drie kinderen. Appellante beschikte echter niet over de middelen om de daarmee samenhangende kosten te voldoen. Zij had geen ruimte om te reserveren, zij had schulden en het was niet mogelijk krediet te verkrijgen, aldus appellante.

4.3. De door appellante geschetste omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in evenbedoelde zin. Daarbij is van belang dat de, door het college op zichzelf niet betwiste noodzaak van de, verhuizing van Biervliet naar Terneuzen vanaf juni 2008 voorzienbaar was, terwijl deze verhuizing eerst op 27 augustus 2009 heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat appellante in principe voor de kosten van die verhuizing heeft kunnen reserveren. Appellante heeft het tegendeel niet met objectieve verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Vaststaat bovendien dat appellante de kosten van de eerste maand huur en de waarborgsom, in totaal € 653,96, en de overnamekosten van een deel van de inboedel van de woning van € 425,-- op 13 juli 2009, nog voor de datum van het besluit op haar aanvraag, zelf heeft voldaan. Niet gebleken is dat appellante daarvoor een geldlening heeft afgesloten of schulden heeft gemaakt. Onder die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat appellante ten tijde hier van belang over voldoende draagkracht beschikte om zelf in de onderhavige kosten te voorzien.

4.4. Voor zover de aanvraag om bijzondere bijstand ziet op de kosten van vloerbedekking (laminaat) tot een bedrag van € 1.650,--, heeft appellante het bestaan van die kosten niet met objectieve verifieerbare gegevens onderbouwd. Reeds hierom was niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.5. Uit wat in 4.3 en 4.4 is overwogen, vloeit voort dat het college de afwijzing van de aanvraag van appellante terecht heeft gehandhaafd. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M. Sahin

IJ