Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
11-3248 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand. Appellant is de op hem rustende verplichting om gebruik te maken van het traject bij het NZC verwijtbaar niet nagekomen, zodat het college in beginsel gehouden was de bijstand van appellant te verlagen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat het college van verlaging had moeten afzien dan wel de verlaging had moeten matigen. Afwijzing verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3248 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 april 2011, 10/679 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

Datum uitspraak 22 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A.M. Oude Ophuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. Oude Ophuis heeft zich vervolgens teruggetrokken als gemachtigde van appellant.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft, desgevraagd, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 12/3553 WWB. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.P. Duininck. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 1968, ontvangt vanaf 28 augustus 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden.

1.2. Vanaf 25 januari 2008 heeft appellant een leer-/werktraject gevolgd. Door gezondheidsklachten van appellant is dit traject op 19 januari 2009 voortijdig beëindigd. Bij besluit van 27 maart 2009, voor zover hier van belang, heeft het college appellant de verplichting opgelegd deel te nemen aan een traject bij het re-integratiebedrijf Nederlands Zorg Centrum (NZC). Dit traject, dat gericht is op het leren omgaan met lichamelijke beperkingen, omvat lichamelijke oefeningen en cognitieve gedragstherapie gedurende twee dagdelen per week. Bij besluit van 10 november 2009 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2009 ongegrond verklaard. Aan het besluit van 10 november 2009 ligt mede ten grondslag een rapport van verzekeringsarts J. Nijhof, die op verzoek van het college appellant op 15 juli 2009 heeft onderzocht.

1.3. Tijdens een gesprek op 23 oktober 2009 met de consulent van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Enschede en de trajectbegeleider van het NZC is appellant gewezen op zijn verplichting om deel te nemen aan het traject bij het NZC, waaraan appellant in eerste instantie heeft voldaan. Na afloop van de vakantie van appellant eind december 2009 is geconstateerd dat appellant wederom verzuimt deel te nemen aan het traject bij het NZC. Tijdens een gesprek op 4 maart 2010 met de consulent en de trajectbegeleider is appellant opnieuw voorgehouden dat hij verplicht is deel te nemen aan het traject en is hem duidelijk gemaakt dat hij de volgende dag bij het NZC dient te verschijnen. Op 5 maart 2010 is geconstateerd dat appellant niet bij het NZC is verschenen en in de week daarna dat hij niet aan de trainingen van het NZC heeft deelgenomen.

1.4. Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2010 gedurende een maand met 20% verlaagd op de grond dat appellant niet dan wel in onvoldoende mate de verplichting is nagekomen om gebruik te maken van de hem aangeboden voorziening gericht op arbeidsre-integratie. Bij besluit van 1 juni 2010

(bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant is van mening dat hij door zijn lichamelijke klachten, waaronder een schouderontsteking, knieklachten, aambeien, de stijfheid van zijn lichaam en een zwelling in de wervelkolom, niet in staat was om langer aan het traject deel te nemen. De lichamelijke klachten zijn in februari 2010 verergerd mede als gevolg van de lichamelijke trainingen tijdens het traject. Voorts wijst appellant erop dat zijn nachtrust was verstoord na de geboorte van zijn jongste kind, een huilbaby, op 31 januari 2010. Appellant begrijpt niet waarom het college niet eerder de bijstand heeft verlaagd, omdat het traject inmiddels elf maanden heeft geduurd, terwijl hij nog geen 10% van de tijd aanwezig is geweest. Appellant verzoekt het college te veroordelen tot een schadevergoeding van € 200.000,--, omdat hij gedwongen was aan het traject deel te nemen, waardoor tevens zijn lichamelijke klachten zijn verergerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB - voor zover van belang - is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling.

4.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het hier aan de orde zijnde traject bij het NZC een voorziening is als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Evenmin is in geschil dat op appellant de verplichting ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB rustte en dat hij op en na 5 maart 2010 niet aan deze verplichting heeft voldaan.

4.4.1. Het standpunt van appellant dat het college ten onrechte de bijstand heeft verlaagd, omdat hij door zijn gezondheidstoestand niet langer in staat was aan het traject deel te nemen, zodat elke vorm van verwijtbaarheid ontbrak, kan niet worden onderschreven.

4.4.2. Verzekeringsarts Nijhof is in juli 2009 na eigen onderzoek en bestudering van de vier door appellant meegebrachte specialistenbrieven tot de conclusie gekomen dat tot op dat moment voor de chronische pijnklachten van appellant geen anatomisch substraat is gevonden en dat een discrepantie bestaat tussen de door appellant beleefde belemmeringen en de bij onderzoek geconstateerde beperkingen. De visie van de verzekeringsarts is dat bij niet objectiveerbare pijnklachten, zoals in het geval van appellant, een tijdscontigente benadering gewenst is en een normale belasting en het in beweging blijven noodzakelijk zijn. Volgens deze arts past het traject bij het NZC geheel in zijn visie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de visie van de geraadpleegde verzekeringsarts onjuist is.

4.4.3. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er begin 2010 een verslechtering is opgetreden in zijn gezondheidstoestand en dat hij daardoor niet langer aan het traject bij het NZC kon deelnemen. Bij onderzoek op 26 februari 2010 is orthopedisch chirurg dr. A.J.S. Renard tot de conclusie gekomen dat sprake is van aspecifieke rugklachten. Als behandeling wordt in eerste instantie gestart met mensendiecktherapie voor houdingsverbetering. Bij onderzoek op 1 juli 2010 is revalidatiearts E.M. Maas tot de conclusie gekomen dat appellant sinds vele jaren diffuse pijnklachten heeft, passend bij fibromyalgie. De revalidatiearts meldt dat in het klachtenpatroon van appellant het beeld van een radiculair syndroom S1 links zeker niet op de voorgrond staat. Hoewel de revalidatiearts heeft gerapporteerd dat appellant zal worden aangemeld voor een aanvullende pijnintake in revalidatiecentrum Het Roessingh, heeft een dergelijk onderzoek, zoals appellant ter zitting heeft verklaard, niet plaatsgevonden. Uit de door appellant ingebrachte meer recente specialistenbrieven en het huisartsjournaal over de periode van 29 september 2010 tot en met 29 oktober 2010 blijkt niet dat appellant ten tijde hier van belang last had van een schouderontsteking, knieklachten, aambeien of een zwelling in de wervelkolom. Het huisartsjournaal vermeldt dat appellant op 29 oktober 2010 is geadviseerd geen training te doen tot het bezoek aan de cardioloog waarnaar appellant was verwezen. Uit de beschikbare medische gegevens blijkt niet dat appellant ten tijde hier van belang door een arts is geadviseerd zich te onthouden van deelname aan de training. Overigens heeft cardioloog dr. P.M.J. Verhorst bij onderzoek op 15 november 2010 als diagnose gesteld aspecifieke thoracale klachten. Neurochirurg dr. B. Höss kreeg op basis van een MRI in december 2010 de indruk dat de zwelling in het wervelkanaal iets groter was geworden, maar heeft tevens gerapporteerd dat appellant geen klachten heeft die verband houden met het bekende neurinoom.

4.5. Appellant heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij op medische gronden op en na 5 maart 2010 niet in staat was aan het traject bij het NZC deel te nemen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de activiteiten van het traject beperkt waren tot twee dagdelen per week. Aangezien de activiteiten in de middaguren plaatsvonden heeft appellant ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn verstoorde nachtrust een gegronde reden vormde om te verzuimen. Gelet op de aard en de strekking van het traject is aannemelijk dat de trainingen plaatsvinden onder deskundige begeleiding en dat daarbij rekening wordt gehouden met de beperkingen en de mogelijkheden van de deelnemers. Voor het standpunt van appellant dat deelname aan deze trainingen heeft geleid tot schade aan zijn gezondheid is in de gedingstukken geen ondersteuning te vinden.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat appellant de op hem rustende verplichting om gebruik te maken van het traject bij het NZC verwijtbaar niet is nagekomen, zodat het college in beginsel gehouden was de bijstand van appellant te verlagen. De toegepaste verlaging van, kort gezegd, 20% gedurende een maand is in overeenstemming met de Verordening werk en bijstand van de gemeente Enschede. In hetgeen appellant heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat het college van verlaging had moeten afzien dan wel de verlaging had moeten matigen. De omstandigheid dat het college gedurende de eerste elf maanden van het traject kennelijk geen reden heeft gezien voor een verlaging van de bijstand van appellant kan niet leiden tot het oordeel dat de hier in geding zijnde verlaging niet in stand kan blijven. Daarbij wordt aangetekend dat appellant tijdens de gesprekken op 23 oktober 2009 en 4 maart 2010 uitdrukkelijk op zijn verplichtingen is gewezen en dat het niet nakomen van die verplichtingen gevolgen zal hebben voor de bijstand.

4.7. Het hoger beroep slaagt dus niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dit brengt tevens mee dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.H. Bel en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C. Oomkens

QH