Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9078

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
11-2385 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit van 23 januari 2007. Niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2385 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 april 2011, 10/824 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak 22 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012. Voor appellante is

mr. Van Dalen verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 6 oktober 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het college de bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 12 januari 2006 ingetrokken en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 13.947,99 van appellante teruggevorderd. Aan dit besluit is, samengevat, ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van werkzaamheden en inkomsten in verband met het kweken van hennep in haar woning en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet is vast te stellen. Het daartegen gemaakte bezwaar is later namens appellante door mr. Van Dalen bij brief van 8 mei 2007 weer ingetrokken. Op de vordering wordt sindsdien afgelost met € 50,-- per maand door inhouding op de lopende bijstandsuitkering van appellante. Een verzoek om kwijtschelding van het restant van de vordering is in maart 2010 afgewezen op de grond dat dergelijke verzoeken bij fraudevorderingen pas na vijf jaar aflossing worden gehonoreerd. Bij brief van 19 april 2010 heeft mr. Van Dalen namens appellante verzocht het besluit van 23 januari 2007 te herzien, althans de vordering nader vast te stellen op wat appellante tot dan toe heeft terugbetaald aan het college. Daarbij is aangevoerd dat de politierechter appellante inmiddels strafrechtelijk heeft veroordeeld en daarbij het wederrechtelijk genoten voordeel heeft vastgesteld op slechts € 500,--.

1.2. Bij besluit van 6 mei 2010 heeft het college het onder 1.1 bedoelde verzoek afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het vonnis van de politierechter niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 20 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat het vonnis van de politierechter slechts een strafrechtelijke waardering is van reeds bekende feiten en omstandigheden. Volgens de rechtbank heeft het college in redelijkheid gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te wijzen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is, samengevat, dat het college, gelet op het vonnis van de politierechter, achteraf bezien tot een onjuiste vaststelling van de fraudeperiode is gekomen. Gelet op het vastgestelde wederrechtelijk genoten voordeel van € 500,-- kan gevoeglijk worden aangenomen dat de politierechter ervan is uitgegaan dat appellante hooguit één maand een hennepkwekerij heeft gehad, zodat de intrekking en terugvordering tot één maand beperkt hadden moeten blijven. De rechtbank heeft volgens appellante verzuimd over dat aspect een inhoudelijk oordeel te geven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op wat in 1.1 is overwogen staat vast dat het besluit van 23 januari 2007 in rechte onaantastbaar is geworden. Het bij brief van 19 april 2010 gedane verzoek van appellante strekt ertoe dat het college van dit ambtshalve genomen besluit terugkomt.

4.2. Overeenkomstig wat voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Als geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.3. Appellante had haar standpunt dat de intrekking en terugvordering van de bijstand in tijdsduur hadden moeten worden bekort destijds in bezwaar naar voren kunnen brengen, indien zij het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2007 niet had ingetrokken. Daarnaast kan de omstandigheid dat de politierechter in de strafzaak tegen appellante kennelijk de ontnemingsvordering heeft beperkt tot een bedrag van € 500,-- weliswaar worden beschouwd als een nieuw gegeven, maar daarbij gaat het niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Een dergelijk vonnis kan immers geen afbreuk doen aan de grondslag van het besluit van 23 januari 2007. Van belang is daarbij dat het college evenmin als de bestuursrechter, die in (hoger) beroep oordeelt over geschillen inzake toepassing van de WWB, is gebonden aan het oordeel van de strafrechter en dat hij in beginsel kan uitgaan van een eigen vaststelling en waardering van de van belang zijnde feiten en omstandigheden. In een strafrechtelijke procedure ligt immers een andere rechtsvraag voor en is een ander procesrecht van toepassing (CRvB 22 februari 2011, LJN BP5715).

4.4. Het college was dan ook bevoegd om het verzoek om terug te komen van het besluit van 23 januari 2007 af te wijzen op de wijze als bepaald in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.5. De Raad ziet in de door appellante gestelde discrepantie tussen de door de politierechter vastgestelde ontnemingsvordering en het teruggevorderde bedrag aan ten onrechte verleende bijstand op zichzelf onvoldoende grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en dus kon blijven vasthouden aan het besluit tot volledige terugvordering van de bijstand. Van belang is in dat verband dat volgens vaste rechtspraak van de Raad het oordeel van de strafrechter over (de omvang van) het wederrechtelijk verkregen voordeel niet van invloed is op de hoogte van het in een bestuursrechtelijke procedure terug te vorderen bedrag (CRvB 30 maart 2010, LJN BL9745). Voorts heeft appellante hoe dan ook de intrekking en terugvordering over zichzelf afgeroepen door hennep in eigen woning te gaan kweken, daarvan geen melding te maken bij het college en voorts na ontdekking daarvan geen verifieerbaar inzicht te geven in de daaruit verkregen inkomsten. Ook wat appellante heeft gesteld omtrent haar penibele financiële situatie, veroorzaakt door jarenlange aflossing en het strakke debiteurenbeleid van het college, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.6. Appellante heeft ten slotte nog aangevoerd dat de rechtbank niettemin een inhoudelijk oordeel omtrent de duur van de intrekking en terugvordering had dienen te geven. Dit betoog faalt. Verzoeken om terug te komen van een eerder genomen besluit kunnen immers niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien (CRvB 13 juli 2010, LJN BN3134). Nu in dit geval niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb was voor een verdergaande toetsing geen plaats.

4.7. Uit wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M. Sahin

IJ