Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8945

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
21-01-2013
Zaaknummer
12-2752 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenverplichting. Het college was niet bevoegd de over de gehele te beoordelen periode gemaakte kosten van bijstand van betrokkene terug te vorderen. De Raad heeft onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Immers, de terugvordering over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 november 2010 moet door het college worden berekend. Daartoe zal het college worden opgedragen in zoverre een nieuw besluit te nemen. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/307
ABkort 2013/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2752 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van 29 maart 2012 ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 november 2011, 11/702

Partijen:

[A. te B. ] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 15 januari 2013

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 november 2011.

Namens betrokkene heeft mr. U. van Ophoven, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de uitspraak heeft het college bij besluit van 29 maart 2012 (bestreden besluit) een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Mr. Van Ophoven heeft namens betrokkene tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Groningen. Het beroepschrift is doorgezonden naar de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ophoven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Jalving.

Tijdens de zitting heeft het college het door hem ingestelde hoger beroep, bij de Raad bekend onder nummer 12/276 WWB, ingetrokken.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft vanaf 2005 een paar jaar gewerkt als zelfstandig glazenwasser. Vanaf 28 maart 2006 ontving hij bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder. Sindsdien heeft hij op de zogenoemde maandelijkse verklaringen WWB incidenteel een laag bedrag aan inkomsten als glazenwasser opgegeven. In februari 2010 heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche (sociale recherche) onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. De conclusie was toen dat betrokkene als glazenwasser drie tot vijf klanten had waar hij op afroep wel eens de ramen waste. Dit had hij niet altijd opgegeven. Bij besluit van 10 februari 2010 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van betrokkene over de maand februari 2010 met tien procent verlaagd. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Op 7 juli 2010 heeft een sociaal rechercheur bij toeval gezien dat betrokkene samen met twee anderen, te weten zijn zoon en [G.], ramen aan het zemen was aan [adres 1]. Nadat was gebleken dat betrokkene hiervan geen melding had gedaan op zijn maandverklaring, heeft de sociale recherche opnieuw onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan hem verleende bijstand. De sociale recherche heeft in dat kader dossieronderzoek verricht, registers geraadpleegd en buurtbewoners als getuigen gehoord. Voorts heeft de sociale recherche [G.] gehoord, de auto van betrokkene doorzocht en betrokkene als verdachte van een strafbaar feit verhoord. Van dit onderzoek is een proces-verbaal, gedateerd 10 januari 2011, opgemaakt. De bevindingen van het onderzoek hebben geleid tot het volgende besluit.

1.3. Bij besluit van 21 december 2010 heeft het college de bijstand van betrokkene met ingang van 28 maart 2006 ingetrokken. Daarbij heeft het college de over de periode van 28 maart 2006 tot en met 30 november 2010 gemaakte kosten van bijstand van betrokkene teruggevorderd tot een bedrag van € 66.723,49. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene meer inkomsten heeft gehad als glazenwasser dan hij bij het college heeft gemeld. Nu hij geen boekhouding of administratie heeft bijgehouden en geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat deze inkomsten lager zijn geweest dan de voor hem geldende bijstandsnorm, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 26 april 2011 (het aanvankelijk bestreden besluit) heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij uitspraak van 29 november 2011 (uitspraak van de rechtbank) heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het aanvankelijk bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt. Daartoe is overwogen dat de anonieme verklaringen in het proces-verbaal van 10 januari 2011 niet als bewijs kunnen worden gebruikt omdat zij niet controleerbaar zijn. De resterende gegevens bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat betrokkene gedurende de gehele uitkeringsperiode zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Daarmee is ook de grondslag aan de terugvordering komen te ontvallen.

3.1. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het college bij het bestreden besluit het bezwaar tegen het besluit van 21 december 2010 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college had daartoe nader onderzoek verricht. Vijf buurtbewoners die eerder een verklaring hadden afgelegd en die bereid waren om hun identiteit bekend te maken, zijn opnieuw gehoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 25 januari 2012. Het college heeft de datum met ingang waarvan de bijstand van betrokkene wordt ingetrokken, nader vastgesteld op 1 januari 2008. Het college heeft voorts de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd over de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 november 2010, tot een bedrag van bruto € 47.778,55.

3.2. Betrokkene heeft tegen dit besluit als beroepsgrond aangevoerd dat hij in principe steeds een juiste opgave heeft gedaan van zijn werkzaamheden en inkomsten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 1 mei 2007, LJN BA4531) volgt uit de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat, indien naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank het bestuursorgaan een nieuwe beslissing op bezwaar neemt, dit besluit door de hoger-beroepsrechter bij de beoordeling wordt betrokken. De rechtbank is dan niet bevoegd ten aanzien van een tegen dat besluit ingesteld beroep. Nu ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het hoger beroep van het college tegen de uitspraak van de rechtbank aanhangig was, wordt het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit geacht mede onderwerp te zijn geworden van het geding in hoger beroep. De rechtbank heeft het beroep terecht ter behandeling aan de Raad doorgezonden. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 28 juni 2012, LJN BX0468) kan door de intrekking van het hoger beroep niet worden bewerkstelligd dat een aldus ontstaan beroep tegen een nieuw besluit teniet wordt gedaan. Als gevolg van de intrekking door het college van het door hem ingestelde hoger beroep is het geding thans beperkt tot het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit.

4.2. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit. Daarbij is het aan het college om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust. Ter beoordeling staat of het college daarin geslaagd is met de in dit geding beschikbare gegevens over de gehele de te beoordelen periode, die loopt van 1 januari 2008 tot en met 21 december 2010. Daarbij geldt dat door de uitspraak van de rechtbank is komen vast te staan dat de samenvatting van anonieme verklaringen van getuigen in het proces-verbaal van 10 januari 2011 niet aan het bestreden besluit ten grondslag mag worden gelegd. Deze samenvatting maakt daarom geen deel uit van de beschikbare gegevens als hierna bedoeld.

4.3. De beschikbare gegevens bieden geen steun voor het standpunt van het college dat betrokkene in het jaar 2008 inkomsten en werkzaamheden heeft verzwegen. Het college heeft ter zitting van de Raad desgevraagd niet kunnen meedelen op grond van welke gebleken feiten of omstandigheden in het bestreden besluit van deze datum kon worden uitgegaan. In zoverre is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond.

4.4. Met de beschikbare gegevens heeft het college wel aannemelijk gemaakt dat betrokkene vanaf 1 januari 2009 meer inkomsten heeft gehad en meer werkzaamheden heeft verricht dan hij heeft opgegeven. Dit blijkt onder andere uit de in januari 2012 afgelegde verklaringen van de vijf nader gehoorde getuigen, die als bijlagen zijn opgenomen in het rapport van 25 januari 2012 van de sociale recherche. Daaruit blijkt dat betrokkene voor deze personen regelmatig, te weten één keer per vier à zes weken, tegen betaling van bedragen variërend van € 10,-- tot € 20,-- per keer, werkzaamheden verricht en heeft verricht als glazenwasser. Hieruit blijkt tevens dat dit in ieder geval sinds drie jaar (sinds 1 januari 2009) het geval is geweest. Deze verklaringen stroken niet met de in februari 2010 door betrokkene tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring dat hij slechts incidenteel en op afroep werkte. Dat betrokkene in 2009 vaste klanten had volgt ook uit zijn verklaring in november 2010 tegenover de sociale recherche. Hij heeft immers verklaard dat hij, toen hij in april 2010 in het ziekenhuis lag met een verbrijzeld onderbeen, aan [G.] heeft gevraagd om bij een klant de ramen te zemen omdat hij bang was die klant te verliezen als hij langer dan drie maanden niet langs zou komen. Hij kwam destijds in ieder geval iedere drie maanden één keer bij een klant om ramen te wassen. Dat het meer dan één klant betrof kan worden afgeleid uit de verklaring van [G.]. Deze heeft in juli 2010 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij in de periode juni en juli 2010 voor betrokkene heeft gewerkt omdat betrokkene zijn been gebroken had. Hij heeft toen twee of drie keer zelfstandig gewerkt in de wijk [wijk] op ongeveer twintig adressen. Hij heeft zich toen tegenover een aantal bewoners voorgesteld als de tijdelijke vervanger van betrokkene. Hij had van betrokkene een lijstje met adressen gekregen. Ook heeft hij een keer in [F.], bij [M.] op zo’n tien adressen de ramen gewassen. Betrokkene bracht hem daar, bleef in de auto zitten en haalde het geld op. Samen met de zoon van betrokkene heeft hij een keer bij ongeveer tien woningen aan [adres 1], de ramen gewassen. Samen met betrokkene en zijn zoon heeft hij een keer op ongeveer vijftien adressen in de wijk [wijk] de ramen gewassen. In september 2010 heeft betrokkene hem verteld dat hij een eigen bedrijf was begonnen of van plan was te beginnen en dat hij zijn uitkering zou stoppen. [G.] heeft in totaal bij veertig, vijftig of zestig adressen van betrokkene de ramen gewassen. Betrokkene heeft hier tegen aangevoerd dat alle hiervoor vermelde verklaringen onjuist zijn. Deze enkele, niet onderbouwde stelling is onvoldoende voor het oordeel dat het college de feitelijke grondslag van het bestreden besluit niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.5. De door betrokkene aan het college toegezonden maandopgaven en lijsten van gelopen (nieuwe) klanten bevatten geen weergave van werkzaamheden in voormelde omvang. Hieruit volgt dat betrokkene in de periode vanaf 1 januari 2009 tot 21 december 2010 geen volledige opgave heeft gedaan van zijn werkzaamheden en inkomsten. Nu hij daarvan ook geen administratie of boekhouding heeft bijgehouden, kan het recht op bijstand over deze periode niet worden vastgesteld.

4.6. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting is aan betrokkene over de periode van 1 januari 2009 tot en met 21 december 2010 ten onrechte bijstand verleend. Het college was dan ook bevoegd om de bijstand van betrokkene over die periode met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. De wijze van uitoefening van deze bevoegdheid is niet bestreden. Dit betekent dat het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de kosten van in die periode ten onrechte verleende bijstand van betrokkene terug te vorderen. De uitoefening van deze bevoegdheid is evenmin bestreden.

4.7. Gelet op wat hiervoor over de intrekking is overwogen, was het college niet bevoegd de over de gehele te beoordelen periode gemaakte kosten van bijstand van betrokkene terug te vorderen. Het bestreden besluit, voor zover deze betrekking heeft op de terugvordering, kan dan ook geen stand houden. In zoverre is het beroep tegen het bestreden besluit ook gegrond.

4.8. Het bestreden besluit moet wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd voor zover het betreft de intrekking van bijstand over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 en de terugvordering van € 47.778,55. Het besluit van 21 december 2010 zal worden herroepen voor zover het betreft de intrekking over de periode van 28 maart 2006 tot en met 31 december 2008.

4.9. De Raad heeft onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Immers, de terugvordering over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 november 2010 moet door het college worden berekend. Daartoe zal het college worden opgedragen in zoverre een nieuw besluit te nemen. De Raad ziet in dit geval, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen nieuwe discussie zal opleveren, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant van de procedure bij Raad. Deze kosten worden begroot op € 1.416,-- voor verleende rechtsbijstand, namelijk voor een verweerschrift, een beroepschrift en het verschijnen ter zitting.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 maart 2012 gegrond;

- vernietigt het besluit van 29 maart 2012 voor zover deze betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008;

- herroept het primaire besluit van 21 december 2010 voor zover deze betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 28 maart 2006 tot en met 31 december 2008;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 29 maart 2012;

- vernietigt het besluit van 29 maart 2012 voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering;

- draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen betreffende de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.416,--, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(de griffier is buiten staat te tekenen)