Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
21-01-2013
Zaaknummer
11/3955 WWB + 11/3956 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is niet aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand voldaan. Hieruit volgt dat de terugvordering van alle voor appellante gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2008 tot en met 28 februari 2010 niet in stand kan blijven. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluiten. Nu de Raad onvoldoende financiële gegevens heeft om zelf in de zaak te voorzien ziet hij in dit geval, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, af van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting en zal het college worden opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren tegen de bestreden besluiten, rekening houdend met de werkzaamheden en inkomsten. Op basis hiervan zal het college het aanvullend recht op bijstand van appellante dienen vast te stellen en op grond daarvan te berekenen welk bedrag van appellante aan ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mag worden teruggevorderd. Het college is gerechtigd dat bedrag geheel terug te vorderen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het college daarbij tevens dient te beslissen op de verzoeken om vergoeding van de kosten van de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3955 WWB, 11/3956 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2011, 11/296,11/297,11/298 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (college)

Datum uitspraak: 15 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M.G. de Groot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Groot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Diepenbroek.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving met ingang van 30 december 1993 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante bij haar vriend in [D.] woont, regelmatig op vakantie gaat en over auto’s beschikt, heeft de sociale recherche Gooi en Vechtstreek (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is bij diverse instanties informatie opgevraagd, zijn waarnemingen en observaties verricht, is appellante verhoord en zijn getuigen gehoord.

1.3. De resultaten van het onderzoek van de sociale recherche, neergelegd in een rapport van 19 april 2010 (rapport), zijn voor het college aanleiding geweest om, voor zover van belang, bij twee afzonderlijke besluiten van 27 mei 2010 de bijstand van appellante met ingang van 1 februari 2008 in te trekken en de over de periode van 1 februari 2008 tot en met 28 februari 2010 voor appellante gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 41.329,28 van haar terug te vorderen.

1.4. Bij eveneens twee afzonderlijke besluiten van 24 november 2010 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 27 mei 2010 onder aanpassing van de motivering ongegrond verklaard. Het college heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat uit het rapport van de sociale recherche blijkt dat appellante vanaf februari 2008 schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht op vier verschillende adressen waarvoor zij inkomsten heeft ontvangen. Tevens sluit het college niet uit dat appellante op meer adressen werkzaamheden heeft verricht dan uit het rapport blijkt. Appellante heeft het college niet ingelicht over deze omstandigheden ten gevolge waarvan het college concludeert dat het recht op bijstand vanaf 1 februari 2008 niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de relevante wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in beginsel de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dit betekent dat ter beoordeling voorligt de periode van 1 februari 2008 tot en met 27 mei 2010 (periode in geding).

4.2. Ten aanzien van de primair door appellante aangevoerde grond dat het college de resultaten uit het door de sociale recherche verrichte onderzoek bij zijn besluitvorming buiten toepassing had moeten laten omdat deze onrechtmatig zijn verkregen, schaart de Raad zich achter de overwegingen 4.2.1 tot en met 4.3.1 in de aangevallen uitspraak. De Raad komt dan ook met de rechtbank tot het oordeel dat het college met het instellen van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet heeft geschonden en de onderzoeksbevindingen niet in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) zijn verkregen. Dit betekent dat het betoog van appellante in zoverre niet slaagt.

4.3. Subsidiair voert appellante aan dat het college ten onrechte de bijstand heeft ingetrokken en de kosten van bijstand integraal heeft teruggevorderd. De resultaten van het onderzoek bieden naar de mening van appellante voldoende aanknopingspunten om het recht op bijstand vast te stellen. Appellante bestrijdt dat zij op meer dan vier adressen heeft gewerkt.

4.4. Bij de beoordeling van de intrekking staat voorop dat een besluit tot intrekking een voor de betrokkene belastend besluit is, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent in dit geval dat de last om aannemelijk te maken dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden in beginsel op het college rust.

4.5. Heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden, dan is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate appellante recht op bijstand heeft. Het is vervolgens aan appellante om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.6. Vaststaat dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen opgave heeft gedaan van schoonmaakwerkzaamheden op vier verschillende adressen nader aangeduid in het rapport. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de schending van de inlichtingenverplichting verder reikte dan de werkzaamheden op de vier in het rapport genoemde adressen nader aangeduid in het rapport. Dat, zoals het college heeft aangevoerd, uit de tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring van getuige [R.] (getuige) is af te leiden dat appellante met haar agenda en met haar andere werkadressen moest schuiven voordat zij een afspraak kon maken over de bij deze getuige te verrichten schoonmaakwerkzaamheden en dat appellante eerder tegen de getuige heeft gezegd dat zij veel werkte, druk was geweest en soms lange dagen werkte, is daarvoor niet voldoende. Deze omstandigheden zijn onvoldoende concreet om daaruit af te leiden dat appellante op meer adressen heeft gewerkt dan uit het rapport van de sociale recherche blijkt. Ook het gegeven dat appellante zich tegenover de sociale recherche met betrekking tot de schoonmaakwerkzaamheden heeft beroepen op haar zwijgrecht leidt niet tot een ander oordeel nu, zoals onder 4.4 is overwogen, het eerst aan het college is aannemelijk te maken dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De rechtbank verbindt voorts ten onrechte conclusies aan het feit dat de observaties niet op alle dagen plaatsvonden en beperkt waren tot vooral de woningen van appellante en [V.], nu het onderzoeksrapport onvoldoende aanknopingspunten bevat dat appellante meer werkte dan door de sociale recherche is geconstateerd.

4.7. Hetgeen onder 4.6 is overwogen leidt tot de conclusie dat het betoog van appellante slaagt omdat het college, uitgaande van de in het rapport vermelde schoonmaakwerkzaamheden, het aanvullend recht op bijstand van appellante heeft kunnen vaststellen. Nu de in het rapport vermelde gegevens echter geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand dient schattenderwijs vastgesteld te worden tot welk bedrag appellante recht op bijstand zou hebben op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor appellante, voortvloeiend uit de resterende onzekerheden, mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor haar rekening worden gelaten. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 27 september 2011, LJN BT5852. Dit betekent dat het aanvullend recht op bijstand met inachtneming van de volgende werkzaamheden en inkomsten is vast te stellen.

4.8. - Bij [M.], vanaf februari 2008, wekelijks drie uur tegen een uurloon van € 15,--.

- Bij [P.], vanaf juli 2008 één keer per twee weken drie uur tegen een uurloon van € 15,--,

- Bij [R.] zes keer vanaf november 2008, één keer per twee weken tegen een vergoeding van € 50,-- per keer.

- Bij machinefabriek [V.], vanaf maart 2008, wekelijks vijf uur tegen een uurloon van € 15,--. Ten aanzien van deze werkzaamheden wordt aangetekend dat uit het rapport naar voren komt dat appellante vanaf maart 2008 wekelijks gedurende één ochtend van 8.30 tot 13.30 het kantoor, de keuken en het toilet schoonmaakte. Dat appellante naar haar zeggen voor deze werkzaamheden geen vergoeding ontving maar dat in ruil daarvoor haar nagels werden gedaan, doet er niet aan af dat deze werkzaamheden op geld waardeerbare activiteiten betreffen. Voor deze werkzaamheden had appellante in ieder geval een uurloon kunnen bedingen ter hoogte van de uurlonen die zij op haar andere werkadressen ontving, te weten € 15,-- per uur.

4.9. Hetgeen onder 4.4 tot en met 4.8 is overwogen betekent dat niet aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand over de periode in geding is voldaan. Hieruit volgt dat de terugvordering van alle voor appellante gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2008 tot en met 28 februari 2010 niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat het hoger beroep in zoverre slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaren en deze besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.10. Nu de Raad onvoldoende financiële gegevens heeft om zelf in de zaak te voorzien ziet hij in dit geval, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking van hetgeen onder 4.8 en 4.9 is overwogen, af van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting en zal het college worden opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren tegen de bestreden besluiten, rekening houdend met de onder 4.8 vermelde werkzaamheden en inkomsten. Op basis hiervan zal het college het aanvullend recht op bijstand van appellante over de periode in geding dienen vast te stellen en op grond daarvan te berekenen welk bedrag van appellante aan ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mag worden teruggevorderd. Het college is gerechtigd dat bedrag geheel terug te vorderen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het college daarbij tevens dient te beslissen op de verzoeken om vergoeding van de kosten van de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren.

4.11. Gelet op overweging 4.9 behoeft hetgeen appellante meer subsidiair over de integrale terugvordering heeft aangevoerd geen bespreking meer.

4.12. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in beroep en € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 24 november 2010;

- bepaalt dat het college nieuwe beslissingen op de bezwaren van appellante neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) V.C. Hartkamp