Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8774

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
11-4730 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Betrokkene heeft zonder deugdelijke grond onvoldoende inspanningen heeft geleverd. In de rapporten is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat betrokkene reeds in april 2009 een start had moeten maken met een re-integratietraject tweede spoor en dat daarmee ten onrechte is gewacht tot augustus 2009. Met betrekking tot de onwelwillende houding van werkneemster om haar medewerking te verlenen aan de re-integratie bij een andere werkgever, wordt de opvatting van appellant onderschreven dat betrokkene daartegen maatregelen had kunnen nemen om werkneemster desnoods onder dwang tot medewerking te bewegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4730 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 juli 2011, 10/1350 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[A. te B. ] (betrokkene)

Datum uitspraak: 9 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 november 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. Voor betrokkene is verschenen [R.] werkzaam bij Gezond Ondernemen.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 26 november 2009 heeft appellant het tijdvak waarin [werkneemster] (werkneemster) jegens betrokkene als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 13 februari 2011. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA.

2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 april 2010 (bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar, onder verwijzing naar het rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 13 april 2010, ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 16 oktober 2008 (lees: 26 november 2009) herroepen en haar uitspraak in de plaats gesteld van het vernietigde besluit. De rechtbank was van oordeel dat appellant ten onrechte heeft aangenomen dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Volgens de rechtbank heeft appellant geen waarde gehecht aan het op verzoek van werkneemster uitgebrachte deskundigenoordeel van 19 augustus 2009 - kennelijk heeft de rechtbank waar zij spreekt over het deskundigenoordeel van 19 augustus 2009 het oog op de aan het deskundigenoordeel van 21 augustus 2009 ten grondslag liggende rapport van een arbeidsdeskundige van 19 augustus 2009 -, terwijl dit deskundigenoordeel van belang is voor de re-integratie-inspanningen die betrokkene moet verrichten en het bovendien bepalend is voor de aanpak van de bedrijfsarts. De uitkomst van het deskundigenoordeel was volgens de rechtbank hoe dan ook van belang voor de vraag of betrokkene op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan haar re-integratieverplichtingen. Daarnaast heeft de rechtbank van belang geacht dat het ruim vijf weken heeft geduurd eer het deskundigenoordeel bekend was, dat werkneemster tot 10 juni 2009 werkzaamheden bij betrokkene heeft verricht en dat werkneemster zich aanvankelijk heeft verzet tegen re-integratie in het tweede spoor. Tot slot was de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat betrokkene na augustus 2009 een te afwachtende houding heeft aangenomen.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene in het deskundigenoordeel van 21 augustus 2009 heeft kunnen lezen dat zij met haar re-integratieactiviteiten voor werkneemster op de goede weg was. Volgens appellant kan het deskundigenoordeel niet worden opgevat als een algemeen oordeel dat ziet op re-integratieactiviteiten van werkgever en werknemer in volle omvang en gedurende de gehele periode van loondoorbetaling tijdens ziekte. Appellant heeft erop gewezen dat een deskundigenoordeel wordt afgegeven op een daartoe door werkgever en/of werknemer gedaan verzoek. Het deskundigenoordeel heeft betrekking op de specifieke vraagstelling en de context waarin dat verzoek is gedaan.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Werkneemster heeft op 9 juli 2009 het formulier ‘Aanvraag deskundigenoordeel door werknemer’ ingevuld. In de bijlage van het aanvraagformulier wordt de aanvrager verzocht om de situatie aan te geven waarover een deskundigenoordeel wordt gevraagd. Werkneemster heeft aangekruist dat het een meningsverschil betreft met de werkgever en/of arbodienst. Op het verzoek om de vraag te omschrijven waarop een antwoord van het Uwv gewenst is, heeft werkneemster aangegeven dat zij zich volledig arbeidsongeschikt acht en niet in staat is om mee te werken aan het re-integratietraject. De vraag die zij door middel van het deskundigenoordeel beantwoord wil zien is ‘Kunt u beoordelen of ik op dit moment benutbare mogelijkheden heb?’. Onder het kopje ‘Voorstel werkgever’ heeft werkneemster aangekruist dat haar werkgever werk in een ander bedrijf heeft voorgesteld, waarbij gedacht wordt aan licht (ongeschoold) administratief werk of licht productiewerk waarbij zitten, staan en lopen kan worden afgewisseld.

5.2. Naar aanleiding van haar aanvraag is werkneemster op 11 augustus 2009 gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Op grond van eigen onderzoeksbevindingen is deze arts tot de conclusie gekomen dat werkneemster met haar lichamelijke beperkingen benutbare mogelijkheden heeft. De verzekeringsarts heeft deze benutbare mogelijkgeden neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 augustus 2009. In aansluiting op het medische onderzoek heeft een arbeidsdeskundige op 19 augustus 2009 een onderzoek ingesteld. In zijn rapport van gelijke datum heeft deze arbeidsdeskundige neergelegd dat werkneemster op basis van de FML in staat wordt geacht om passend werk te verrichten, waarbij sprake is van fysiek niet te zwaar werk en waarbij de nadruk ligt op zittend werk in een goede stoel met de mogelijkheid om dit af te wisselen met wat lopen of staan. Volgens de arbeidsdeskundige kan de richting die de werkgever heeft aangegeven worden gevolgd, waarbij in eerste instantie gekeken moet worden of dergelijke functies bij de eigen werkgever mogelijk zijn (eerste spoor). Indien dat niet het geval is, dient volgens de arbeidsdeskundige begeleiding plaats te vinden naar passend werk bij andere werkgevers (tweede spoor). Bij brief van 21 augustus 2009 en met verwijzing naar het arbeidskundig rapport van 19 augustus 2009 heeft appellant werkneemster bericht dat uit het deskundigenonderzoek is gebleken dat haar vraag of zij volledig arbeidsongeschikt is, ontkennend moet worden beantwoord.

5.3. Gelet op de in 5.1 weergegeven vraagstelling in samenhang bezien met de uitslag van het deskundigenoordeel wordt - anders dan de rechtbank heeft gedaan - geoordeeld dat betrokkene aan het deskundigenoordeel niet de conclusie kan verbinden dat zij met de door haar verrichte re-integratie-inspanningen op de goede weg was. In het door werkneemster ingevulde aanvraagformulier is nergens een vraag noch enig andere passage te vinden die is gericht op de door betrokkene verrichte re-integratie-inspanningen voor werkneemster. In de bijlage van het aanvraagformulier is bovendien aangegeven dat het een voorstel betreft dat een werkgever aan zijn werknemer heeft gedaan. In dat kader moet de overweging van de arbeidsdeskundige worden geplaatst dat de richting die de werkgever aangeeft kan worden gevolgd, te weten het voorstel aan werkneemster om bij een andere werkgever (ongeschoold) fysiek licht werk te verrichten. Gewezen wordt op de aanvulling die de arbeidsdeskundige bij die overweging heeft gegeven. Daarbij geeft hij aan dat in eerste instantie gekeken zal moeten worden of passende functies bij de eigen werkgever mogelijk zijn (eerste spoor) of, indien dat niet het geval is, begeleiding zal moeten plaatsvinden naar passend werk bij andere werkgevers (tweede spoor). Appellant heeft in de brief van 21 augustus 2009 aangegeven dat de door werkneemster geformuleerde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Op grond van het voorgaande valt niet in te zien dat het deskundigenoordeel zich verder zou uitstrekken dan het antwoord in de brief van 21 augustus 2009 op de door werkneemster gestelde vraag.

5.4. Met betrekking tot de geleverde re-integratie-inspanningen wordt het oordeel van appellant onderschreven dat betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende inspanningen heeft geleverd. Gewezen wordt op de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundige van 10 november 2009, 13 april 2010, 18 juni 2010 en van 26 juli 2010. In die rapporten is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat betrokkene reeds in april 2009 een start had moeten maken met een re-integratietraject tweede spoor en dat daarmee ten onrechte is gewacht tot augustus 2009. Met betrekking tot de onwelwillende houding van werkneemster om haar medewerking te verlenen aan de re-integratie bij een andere werkgever, wordt de opvatting van appellant onderschreven dat betrokkene daartegen maatregelen had kunnen nemen om werkneemster desnoods onder dwang tot medewerking te bewegen. Het nalaten van het nemen van gepaste maatregelen - om welke reden dan ook - dient voor rekening en risico van betrokkene te blijven.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt.

7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D. Heeremans