Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
11-3589 WWB + 11-3590 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Begrip niet duurzaam gescheiden leven en gezamenlijke huishouding. Ondeugdelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3589 WWB, 11/3590 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 mei 2011, 10/316 en 11/694 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

Datum uitspraak: 15 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Pasman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pasman en A.M. de Jonge als tolk. Als getuige is verschenen [C. te D.]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Bloemena.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is op [datum] gehuwd met [E.]. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. Op 1 maart 2003 is zij verlaten door [E.]. Op 7 maart 2005 is de echtscheiding ingeschreven in het register van de burgerlijke stand. De echtscheiding is bij beschikking van 9 april 2007 door de rechtbank voor familiezaken van [T.] erkend. Gedurende de periode van 18 april 1991 tot 8 december 2007 heeft appellante gewoond op het adres [adres] (adres 1). Vanaf 8 december 2007 woont zij op het adres [adres] (adres 2). Appellante heeft vanaf 1 maart 2003 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). [E.] heeft tot 1 april 2003 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven gestaan op adres 1. Hij heeft over de periode van 15 juni 2005 tot en met 18 januari 2006 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de WWB.

1.2. Naar aanleiding van een tip, ingekomen op 18 juni 2007, dat appellante en [E.] een gezamenlijke huishouding voeren, heeft de sociale recherche een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche waarnemingen verricht, is buurtonderzoek gedaan waarbij diverse buurtbewoners in de omgeving van de adressen 1 en 2 zijn gehoord en is appellante gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 15 juli 2009.

1.3. De bevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 28 juli 2009 de aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 maart 2003 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 95.950,13 van haar terug te vorderen. Daarnaast heeft het college een bedrag van € 1.405,73 mede teruggevorderd van appellante, zijnde de gemaakte kosten van bijstand ten behoeve van [E.] over de periode van 15 juni 2005 tot en met 18 januari 2006. Aan zijn besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 1 maart 2003 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [E.] waarvan zij geen melding heeft gemaakt bij het college.

2.1. Bij besluit van 14 december 2009 (bestreden besluit 1), voor zover hier van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2009 ongegrond verklaard. De hoogte van de terugvordering is nader vastgesteld op € 95.155,13. De hoogte van de medeterugvordering is niet gewijzigd.

2.2. Bij besluit van 15 februari 2011 (bestreden besluit 2) heeft het college bestreden besluit I aangevuld in die zin dat aan de intrekking over de periode van 1 maart 2003 tot 7 maart 2005 ten grondslag wordt gelegd dat appellante niet kan worden aangemerkt als ongehuwde omdat zij over deze periode niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van [E.].

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de rechtsgevolgen hiervan in stand gelaten. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat aannemelijk is dat appellante over de periode van 1 maart 2003 tot 7 maart 2005 niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van [E.] en dat zij over de periode vanaf 7 maart 2005 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [E.].

3.2. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand heeft gelaten en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard. Zij heeft hiertoe, samengevat, aangevoerd dat zij over de periode van 1 maart 2003 tot 7 maart 2005 duurzaam gescheiden heeft geleefd van [E.]. Over de periode van 7 maart 2005 tot 1 februari 2009 heeft zij geen gezamenlijke huishouding met [E.] gevoerd, omdat hij geen hoofdverblijf had in haar woning. Vanaf 1 februari 2009 voert appellante met [E.] een gezamenlijk huishouding omdat hij vanaf die datum dagelijks in haar woning is en daar ook overnacht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De door de bestuursrechter te beoordelen periode bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het besluit van 28 juli 2009. Nu appellante erkent dat zij vanaf 1 februari 2009 een gezamenlijke huishouding met [E.] voert, loopt de beoordelingsperiode van 1 maart 2003 tot 1 februari 2009.

4.2. Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit. Daarbij is het aan het college om de nodige kennis omtrent de concrete feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om te bewijzen dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust. Het ligt daarom op de weg van het college om aannemelijk te maken dat appellante gedurende de periode van 1 maart 2003 tot 7 maart 2005 niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van [E.] en dat appellante over de periode van 7 maart 2005 tot 1 februari 2009 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [E.].

De periode van 1 maart 2003 tot 7 maart 2005

4.3.1. In deze periode was appellante gehuwd met [E.]. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB en het gelijkluidende artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet, wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak

(CRvB 30 november 2010, LJN BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.3.2. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld bestaat er onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellante over de periode hier aan de orde niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van [E.]. De afzonderlijk door appellante en [E.] tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen, in samenhang bezien met de door buurtbewoners van adres 1 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen, zijn onvoldoende om het standpunt van het college te kunnen dragen. Uit de verklaring van appellante en de verklaring van [E.] blijkt dat zij in deze periode weliswaar regelmatig contact onderhielden, maar dit betrof uitsluitend de opvoeding van hun kinderen. De verklaringen van [G.] en [H.], zijnde buurtbewoners van adres 1, die zien op deze periode, zijn te weinig uitgebreid en gedetailleerd, en bovendien zijn de waarnemingen van de getuigen onvoldoende duidelijk geplaatst in de tijd, om hieruit te concluderen dat appellante niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van [E.]. Nu uit de onderzoeksbevindingen niet blijkt van andere aanknopingspunten voor het standpunt van het college slaagt het hoger beroep in zoverre.

De periode van 7 maart 2005 tot 1 februari 2009

4.4.1. In deze periode was het huwelijk tussen appellante en [E.] ontbonden. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.2. Aangezien vaststaat dat uit het huwelijk van appellante en [E.] kinderen zijn geboren is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [E.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.4.3. Er bestaat onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat [E.] gedurende deze periode zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante op adres 1, onderscheidenlijk adres 2. Appellante heeft over deze periode verklaard dat zij contact had met [E.], met name in verband met de kinderen, en dat hij af en toe bleef slapen. [E.] heeft verklaard dat hij in deze periode wel contact onderhield met appellante in verband met de opvoeding van de kinderen, maar dat hij niet zijn hoofdverblijf had in haar woning. De verklaringen van de buurtbewoners van adres 1, [G.], [H.] en [I.], als ook de verklaring van [J.], buurtbewoner van adres 2, bevatten geen concrete feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat [E.] in deze periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. In het bijzonder bevatten de getuigenverklaringen geen specifieke en gedetailleerde waarnemingen dat [E.] daadwerkelijk op adres 1, onderscheidenlijk op adres 2, woonde. Verder hebben over de periode van 9 maart 2008 tot en met 27 maart 2008 negen waarnemingen plaatsgevonden, waarbij vier keer de auto van [E.] in de directe omgeving van de woning van appellante op adres 2 is aangetroffen. [E.] noch appellante zijn tijdens deze waarnemingen gezien. Uit deze onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, kan niet worden geconcludeerd dat [E.] gedurende deze periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Het hoger beroep slaagt ook in zoverre.

4.5. Uit 4.3.1 tot en met 4.4 volgt dat de intrekking van bijstand over de periode van 1 maart 2003 tot 1 februari 2009 op een ondeugdelijke grondslag berust, zodat het college niet bevoegd was tot intrekking van de bijstand. Dit heeft tot gevolg dat de terugvordering over deze periode evenmin standhoudt. Aan de medeterugvordering komt de grondslag te ontvallen, omdat uit het voorgaande blijkt dat over de periode van 15 juni 2005 tot en met 18 januari 2006 onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding.

4.6. De rechtbank heeft het vorenstaande niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bestreden besluit 2 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. Nu niet aannemelijk is dat het gebrek nog kan worden hersteld zal de Raad, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, het besluit van 28 juli 2009 herroepen en bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

5. Er is aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. De proceskosten worden begroot op € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Verder komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten die appellante heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de Raad. Deze worden begroot op € 24,80.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van

14 december 2009 in stand zijn gelaten en het beroep tegen het besluit van 15 februari 2011

ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 februari 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

- herroept het besluit van 28 juli 2009;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van

14 december 2009 en 15 februari 2011;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 968,80 te betalen

aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,--

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.J. Schaap en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) R. Scheffer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip niet duurzaam gescheiden leven en gezamenlijke huishouding.