Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
11-3077 WWB + 11-3078 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Handel in auto’s en handelswaar aangeboden via marktplaats.nl zonder daarvan melding te maken bij het college. Appellanten hebben geen administratie bijgehouden van de transacties, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Geen sprake van strijd met art. 6, lid 3, EVRM. Niet aannemelijk gemaakt dat slechts sprake was van een situatie waarin zij tegen een geringe vergoeding auto’s op hun naam hebben laten zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3077 WWB, 11/3078 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 mei 2011, 10/2130 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. en B. te C. ] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

Datum uitspraak: 8 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2012. Voor appellanten is verschenen mr. J. Visscher, kantoorgenoot van mr. Van Doleweerd. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.A. Leijtens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 21 juni 2003 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van de melding dat appellanten inkomsten zouden hebben uit autohandel en goederen zouden aanbieden via marktplaats.nl heeft de afdeling Arbeidsmarkt en Sociale Zaken, team handhaving, van de regio ’s-Hertogenbosch (team handhaving) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft het team handhaving onder meer dossieronderzoek gedaan, informatie bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) opgevraagd, met een “vordering verstrekking historische gegevens” van de Officier van Justitie informatie opgevraagd bij Marktplaats B.V. en appellanten verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 april 2009.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 april 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 augustus 2009 (bestreden besluit), de bijstand over de periode van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2009 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 36.229,96 van appellanten terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten in de in geding zijnde periode hebben gehandeld in auto’s en handelswaar hebben aangeboden via marktplaats.nl zonder daarvan melding te maken bij het college. Appellanten hebben geen administratie bijgehouden van de transacties, zodat het recht op bijstand in de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellanten hebben aangevoerd dat het college de door hen ten overstaan van sociaal rechercheurs op 1 april 2009 afgelegde verklaringen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen, aangezien zij in strijd met artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet in de gelegenheid zijn gesteld om een advocaat te raadplegen. Appellanten hebben verder aangevoerd dat het college de resultaten uit het onderzoek van team handhaving niet zonder toestemming van de Officier van Justitie had mogen gebruiken.

4.2. Deze beroepsgronden slagen niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 13 maart 2012, LJN BV9390) gaat het in een zaak als deze, waarin intrekking en terugvordering van bijstand aan de orde is, niet om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het EVRM zich niet tot appellanten uitstrekt. Ten aanzien van het gebruik van de resultaten uit het onderzoek van het team handhaving ten behoeve van de besluitvorming kan voorts niet worden gezegd dat het daarbij gebruikte bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

4.3. Uit de gegevens van de RDW blijkt dat in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2009 een groot aantal kentekens van motorvoertuigen op naam van appellanten geregistreerd heeft gestaan. De tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 29 december 2009, LJN BK8306) is het onder deze omstandigheden aannemelijk dat met betrekking tot de auto’s transacties hebben plaatsgevonden en dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellanten staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. Tevens staat vast dat appellanten in deze periode diverse handelswaar via marktplaats.nl te koop hebben aangeboden. Controleerbare gegevens over de transacties, waaronder begrepen gegevens over de daaruit ontvangen inkomsten, ontbreken. Daarom kan het recht op bijstand over de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden niet worden vastgesteld.

4.4. De beroepsgrond van appellanten dat zij niet de eigenaren van de auto’s waren, maar dat zij slechts tegen een geringe vergoeding die auto’s voor anderen op hun naam hebben gezet, slaagt niet. Het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Op grond daarvan kan er tevens van worden uitgegaan dat de uit de transacties ontvangen inkomsten door appellanten zijn genoten. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Evenmin kan de stelling stand houden dat in ieder geval de transacties tussen appellanten en hun familieleden buiten beschouwing moeten blijven. Niet in geschil is dat de transacties tussen appellanten onderling door het college buiten beschouwing zijn gelaten. Er is echter geen grond voor het oordeel dat het college de transacties tussen appellanten en familieleden niet op dezelfde voet als transacties tussen appellanten met derden in de beoordeling mocht betrekken. Appellanten hebben, mede gelet op het grote aantal transacties, niet aannemelijk gemaakt dat slechts sprake was van een situatie waarin zij tegen een geringe vergoeding auto’s op hun naam hebben laten zetten.

4.5. Voor zover appellanten nog hebben aangevoerd dat het recht op bijstand over de in geding zijnde periode wel kan worden vastgesteld, omdat uit hun verklaringen kan worden opgemaakt dat zij maximaal € 50,-- per kentekenregistratie ontvingen, is van belang dat appellanten niet beschikken over een administratie of een boekhouding, zodat de door hen genoemde bedragen niet verifieerbaar zijn. Het ontbreken van een deugdelijke administratie of boekhouding moet voor rekening en risico van appellanten blijven.

4.6. Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, was het college bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2009. Appellanten hebben de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.7. Uit 4.6 vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. Met betrekking tot de gebruikmaking van deze bevoegdheid hebben appellanten een beroep gedaan op een uitspraak van de Raad van

21 april 2009, LJN BH9423. Het betoog van appellanten komt hierop neer dat de geringe vergoeding die zij hebben ontvangen voor het op naam zetten van kentekens niet in verhouding staat tot het bedrag van de terugvordering. Deze beroepsgrond slaagt niet. In de door appellanten genoemde zaak ging het om een vermogensvaststelling en kon de betrokkene aannemelijk maken dat, indien de inlichtingenverplichting niet was geschonden, recht op bijstand zou hebben bestaan. In het geval van appellanten gaat het om op geld waardeerbare activiteiten en eventueel daaruit verkregen inkomsten, en is het recht op bijstand nu juist niet vast te stellen.

4.8. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M. Sahin