Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
11-3600 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:BQ5189, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. De stichting heeft op goede gronden besloten tot het ontslag van appellante vanwege ongeschiktheid voor de functie van docent als bedoeld in artikel 9.b.3, aanhef en onder g, van de CAO VO. De stichting heeft de conclusie over het functioneren van appellante gebaseerd op een aantal door ouders tegen appellante ingediende klachten, lesobservaties, de conclusies naar aanleiding van een assessment en de uitkomst van een coachingstraject. Deze in de loop der jaren verzamelde informatie over concrete gedragingen van appellante rechtvaardigt de conclusie dat haar didactische en pedagogische vaardigheden - vaardigheden die essentieel zijn voor een goede vervulling van de functie van docent - tekortschieten. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake. De stichting heeft appellante voldoende gelegenheid gegeven om haar functioneren te verbeteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3600 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2011, 10/497 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (stichting)

Datum uitspraak: 17 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.M. Storm, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.W.M. Roozeboom, advocaat. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Quaak.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreide weergave van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.2. Appellante was per 7 september 1998 tijdelijk aangesteld bij de stichting en per 1 augustus 2000 in vaste dienst werkzaam als docent [naam vakgebied] op de Openbare Scholengemeenschap [naam Scholengemeenschap] te [vestigingsplaats].

1.3. Bij besluit van 7 oktober 2009 heeft de stichting appellante ontslagen wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan op grond van ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 9.b.3, aanhef en onder g, van de Collectieve arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs 2008-2010 (CAO VO) dan wel wegens een andere reden van gewichtige aard als bedoeld in artikel 9.b.3, aanhef en onder l, van de CAO VO, te weten een blijvend diepgaand verschil van inzicht over haar functioneren. Daarbij heeft de stichting aan appellante de garantie verstrekt op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, bovenwettelijke en nawettelijke uitkering, haar een eenmalige uitkering toegekend van € 25.000,- bruto en een outplacementtraject aangeboden ten bedrage van maximaal € 10.000,-.

1.4. Bij besluit van 25 januari 2010 (bestreden besluit) heeft de stichting het bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat de stichting aannemelijk heeft gemaakt dat het gedrag van appellante en haar functioneren, waaronder haar wijze van lesgeven, in de periode van 2004 tot 2009 niet aansluiten bij hetgeen de stichting van haar docenten verlangt, te weten de leerlingen op een positieve manier aanspreken, uitleg geven over de leerstof en hen stimuleren tot samenwerking. Onder die omstandigheden kon de stichting zich op het standpunt stellen dat er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat appellante niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Dat de dossiervorming bij de stichting te wensen overliet en dat de stichting niet in alle opzichten een heldere lijn heeft gevolgd, waarbij een formele beoordeling achterwege is gebleven en appellante ondanks andersluidende adviezen meermalen de kans is gegeven haar functioneren te verbeteren, leidt niet tot een ander oordeel. Appellante is, zoals vereist, concreet met de verweten tekortkomingen geconfronteerd op een zodanige wijze dat haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat bij gebreke van verbetering ontslag dreigde. Die confrontatie was zo tijdig dat appellante nog een reële kans had om tot de gewenste verbetering te komen. Aan de subsidiaire ontslaggrond is de rechtbank niet toegekomen.

3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de stichting op goede gronden heeft besloten tot het ontslag van appellante vanwege ongeschiktheid voor de functie van docent als bedoeld in artikel 9.b.3, aanhef en onder g, van de CAO VO. De stichting heeft de conclusie over het functioneren van appellante gebaseerd op een aantal door ouders tegen appellante ingediende klachten, lesobservaties, de conclusies naar aanleiding van een assessment en de uitkomst van een coachingstraject. Deze in de loop der jaren verzamelde informatie over concrete gedragingen van appellante rechtvaardigt de conclusie dat haar didactische en pedagogische vaardigheden - vaardigheden die essentieel zijn voor een goede vervulling van de functie van docent - tekortschieten. Appellante mist dan ook de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie van docent thans vereist zijn.

4.2. De stelling van appellante dat zij wel goed functioneert, vindt geen steun in de stukken. Die stukken geven evenmin steun aan de kritiek van appellante op de afhandeling van de klachten, de lesobservaties en het assessment. Het is in het licht van de aan appellante bij meerdere gelegenheden meegedeelde zorgen over haar functioneren niet aannemelijk dat zij van te voren geen weet had van het doel van het assessment. Verder blijkt uit het dossier dat de in 2004 over haar ontvangen klachten van ouders met haar zijn besproken. Er bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat de afhandeling van die klachten gebrekkig was. Appellante heeft de kritische conclusies van de lesobservaties betwist zonder onderbouwing en overigens zonder de juistheid van de observaties zelf te betwisten. Integendeel, appellante heeft erkend dat wat in de weergave van de lesobservaties is vermeld, daadwerkelijk gebeurd is. Van de juistheid van die observaties moet dan ook worden uitgegaan. Ten slotte verschilt appellante met de stichting van mening over de vraag of de coaching heeft geleid tot een verbetering van haar functioneren. De stichting heeft gemotiveerd gesteld dat het functioneren onder de maat blijft. Appellante heeft dat betwist; zij heeft deze stelling echter niet onderbouwd. De Raad ziet daarom geen aanleiding om het standpunt van de stichting niet te volgen.

4.3. Uit de in het dossier opgenomen verslagen van gesprekken die de leidinggevenden van appellante in de loop van enkele jaren met haar hebben gevoerd, blijkt dat appellante herhaaldelijk en in concreto is aangesproken op haar functioneren. De stelling van appellante dat zij nog nooit kritiek heeft gehad op haar functioneren, is dan ook niet juist.

4.4. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake. De stichting heeft appellante voldoende gelegenheid gegeven om haar functioneren te verbeteren. Zij is gedurende enige tijd aan een collega-docent gekoppeld geweest. Verder is zij op enig moment voor een aantal uren vrijgesteld van het geven van lessen, zodat zij in de vrijgekomen tijd haar deskundigheid en functioneren zou kunnen verbeteren. Ten slotte heeft appellante het coachingstraject doorlopen. Aan appellante moet worden toegegeven dat het dossier enkele onvolkomenheden vertoont. Die zijn echter niet zo ernstig dat ze aanleiding geven voor een ander oordeel.

4.5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en J.N.A Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M. Sahin

HD