Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
11-6912 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatmaninkomen. WAZ-uitkering. Gezien de uitspraak van de Raad van 2 november 2012, LJN BY2116, stond het de rechtbank - behoudens uitzonderlijke gevallen, waarvan hier geen sprake is - niet vrij terug te komen van een door haar in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd. Teneinde tot finale geschilbeslechting te komen, zal de Raad het geding niet terugwijzen naar de rechtbank maar daarover thans een oordeel geven. Voor de hoogte van zijn uitkering of voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid is momenteel, gezien het systeem van de WAZ, niet van belang wat het maatmaninkomen van appellant precies is. Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Algemene wet bestuursrecht 8:51c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6912 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2011, 10/5752 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 11 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Mr. Fluit heeft hierop een nadere reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. A.A.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1. Aan appellant is, uiteindelijk, met een besluit van 18 november 2010 (bestreden besluit), een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij dit besluit is het maatmaninkomen vastgesteld op € 6,66 per uur. De ingangsdatum van de uitkering is

4 november 2005, omdat appellant per die datum om herziening had gevraagd van een eerder besluit tot weigering van een WAZ-uitkering wegens een op 5 april 2001 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Het bestreden besluit betreft een besluit op bezwaar, genomen nadat de rechtbank Amsterdam bij een uitspraak van 16 juli 2010 opnieuw een eerder besluit tot weigering van een WAZ-uitkering had vernietigd. Bij de vaststelling van het maatmaninkomen heeft het Uwv gebruik gemaakt van de gegevens van de belastingdienst over de jaren 1998 tot en met 2000. Over de jaren 1998 en 1999 heeft de belastingdienst de fiscale winst ambtshalve vastgesteld. Over het jaar 2000 heeft de belastingdienst ambtshalve vastgesteld dat de winst nihil was.

2.1. In beroep heeft appellant aangevoerd dat het maatmaninkomen onjuist is vastgesteld. Het Uwv heeft aangenomen dat hij in het jaar 2000 geen winst heeft gehad, wat onjuist is. De rechtbank Amsterdam heeft in een tussenuitspraak van 22 juli 2011 onder andere overwogen dat appellant ontvankelijk was in zijn beroep en tevens dat het Uwv alleen de jaren 1998 en 1999 representatief had moeten achten en daarom alleen die jaren bij de berekening van het maatmaninkomen had dienen te betrekken. Het Uwv is opgedragen binnen veertien dagen na die uitspraak bekend te maken of het gebruik zal maken van de mogelijkheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.2. In een brief van 4 augustus 2011 heeft het Uwv de rechtbank onder meer medegedeeld dat het maatmaninkomen hoger uitvalt. Door een vergelijking van de aanslagen omzetbelasting over de jaren 1999 en 2000 heeft het Uwv aangenomen dat appellant ook in 2000 winst heeft gemaakt. Het maatmaninkomen wordt vastgesteld op € 7,65 per uur.

2.3. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er geen aanknopingspunten zijn om de feiten die aan de schatting door het Uwv ten grondslag zijn gelegd voor onjuist te houden.

3.1. In hoger beroep stelt appellant dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het maatmaninkomen door het Uwv terecht is vastgesteld met gebruikmaking van gegevens over de jaren 1998 tot en met 2000, gezien de tussenuitspraak van de rechtbank.

3.2. Het Uwv is van mening dat appellant geen belang heeft bij het hoger beroep, nu hij een WAZ-uitkering ontvangt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dus niet meer kan bereiken dan hij heeft. Daarnaast is het Uwv van mening de vaststelling van het maatmaninkomen op juiste gegevens gebaseerd te hebben.

4.1. Gezien de uitspraak van de Raad van 2 november 2012, LJN BY2116, stond het de rechtbank - behoudens uitzonderlijke gevallen, waarvan hier geen sprake is - niet vrij terug te komen van een door haar in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel. De rechtbank had de brief van het Uwv van 4 augustus 2011 moeten opvatten als een mededeling van het Uwv dat hij geen gebruik maakt van de mogelijkheid om het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek te herstellen. De inhoud van de brief van 4 augustus 2011, noch het aan die brief ten grondslag liggende rapport van de bezwaararbeidsdeskundige laten enige ruimte voor een ander oordeel. De rechtbank had vervolgens toepassing moeten geven aan artikel 8:51c, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het onderzoek moeten sluiten, het beroep gegrond moeten verklaren en het bestreden besluit moeten vernietigen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd.

4.2. Teneinde tot finale geschilbeslechting te komen, zal de Raad het geding niet terugwijzen naar de rechtbank maar daarover thans een oordeel geven.

4.3. Voorop moet worden gesteld dat sprake is van procesbelang indien het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben. Appellant meent een procesbelang te hebben bij het (hoger) beroep. Indien appellant weer in staat zou zijn inkomen te verwerven is het namelijk voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ van belang vooraf te weten wat de gevolgen voor zijn uitkering zullen worden. Hij verwijst hierbij naar de uitspraken van de Raad van 29 augustus 2006, LJN AY7201, en 22 november 2011, LJN BU6192.

4.4. Dit standpunt wordt niet onderschreven. Op zich is juist dat appellant bij verdiensten in de toekomst een belang zal kunnen krijgen bij de beoordeling van het standpunt van het Uwv over de hoogte van zijn maatmaninkomen. Deze toekomstige onzekere gebeurtenis vormt evenwel onvoldoende actueel belang om het beroep ontvankelijk te achten. Voor de hoogte van zijn uitkering of voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid is momenteel, gezien het systeem van de WAZ, niet van belang wat het maatmaninkomen van appellant precies is. De door appellant genoemde uitspraken van de Raad zien op andere situaties dan hier aan de orde.

4.5. De Raad wijst er volledigheidshalve op dat omtrent de situatie die zal ontstaan indien appellant inkomsten gaat verwerven, nieuwe besluitvorming noodzakelijk is. Indien appellant de in dat kader vastgestelde hoogte van zijn maatmaninkomen niet juist acht, kan hij tegen het ter zake genomen besluit rechtsmiddelen aanwenden en daarbij alles betrekken dat hij in dit geding daarover heeft aangevoerd.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak zal vernietigen, behalve voor zover daarbij het Uwv is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

5. Er is aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 944,- voor kosten van rechtsbijstand en € 12,- voor reiskosten. In hoger beroep is een bewijs van toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand overgelegd, zodat het bedrag van € 956,- dient te worden betaald aan de griffier van de Raad.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens het bepaalde over proceskosten en griffierecht;

-verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

-veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 956,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht in hoger beroep van

€ 112,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en C.C.W. Lange en C.P.N. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) K.E. Haan

TM