Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
11/3724 WWB + 11/3725 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. 1) Vaststaat dat de woning in de periode hier in geding op naam van appellante stond. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de woning geen bestanddeel vormt van het vermogen waar zij daadwerkelijk over beschikt of rederlijkerwijs over kan beschikken. Appellante stond als enig eigenaar geregistreerd. De waarde van de woning is niet bestreden. Vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen. 2) Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de maand december 2007 een financiële transactie heeft verricht en dat zij daarvoor een vergoeding heeft ontvangen. Schending van de inlichtingenverplichting. Appellante heeft haar stelling over geringe hoogte van de door haar de door haar ontvangen vergoeding niet met objectieve en controleerbare gegevens onderbouwd. Geen consistente verklaringen. College was bevoegd om de bijstand in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3724 WWB, 11/3725 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 mei 2011, 10/879 en 10/880 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Voor appellante is verschenen mr. Bakker. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving over de periode vanaf 16 augustus 2005 tot en met 27 september 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Uit een rapport van het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (SR) van 21 december 2009 komt naar voren dat de regiopolitie Groningen ambtshalve aan de SR heeft meegedeeld dat de ex-partner van appellante, [naam ex-partner], is gehoord als verdachte van het witwassen van geld. Uit dat strafrechtelijk onderzoek is ook de naam van appellante naar voren gekomen. Naar aanleiding hiervan heeft SR het Internationaal Bureau Fraude-Informatie (IBF) verzocht een onderzoek in te stellen op Curaçao. Bij brief van 18 december 2009 heeft het IBF de SR geïnformeerd over het feit dat appellante op 10 januari 2008 bij notariële akte van koop en levering eigenaar is geworden van een perceel grond met het daarop gebouwde, plaatselijk bekend als [naam woning] te Curaçao (woning). Volgens een op 26 november 2009 gedateerd taxatierapport van het makelaarskantoor Caresto te Curaçao heeft de woning een marktwaarde van Naf. 90.000,-- (€ 34.939,--).

1.3. Voorts heeft de Financial Intelligence Unit-Nederland de SR geïnformeerd over een door appellante verrichte ongebruikelijke transactie: op 13 december 2007 is in opdracht van appellante een bedrag van € 3.279,-- overgemaakt naar [I.] op de Nederlandse Antillen.

1.4. De in 1.1 tot en met 1.3 vermelde feiten en omstandigheden hebben het college geleid tot de volgende besluitvorming.

1.4.1. Bij besluit van 12 februari 2010 heeft het college de bijstand ingetrokken over de periode van 10 januari 2008 tot en met 27 september 2009 op de grond dat appellante niet voldaan heeft aan de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting en dat daarom het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij het besluit van 12 februari 2010 heeft het college tevens de over genoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 28.080,99 van appellante teruggevorderd.

1.4.2. Bij besluit van 9 april 2010 heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 1 december 2007 tot en met 31 december 2007 op de grond dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand over de maand december 2007 niet kan worden vastgesteld. Bij hetzelfde besluit heeft het college de over genoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.258,68 van appellante teruggevorderd.

1.5.1. Bij besluit van 27 juli 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2010 ongegrond verklaard met dien verstande dat de intrekking van de bijstand is gehandhaafd op de grond dat appellante vanaf 10 januari 2008 geen recht heeft op bijstand omdat zij beschikt over een vermogen dat hoger is dan het voor haar van toepassing zijnde vrij te laten vermogen.

1.5.2. Bij besluit van eveneens 27 juli 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 april 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit 1

4.1. De Raad stelt - ambtshalve oordelend - vast dat de rechtbank aan haar oordeel over bestreden besluit 1 ten grondslag heeft gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuurrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid, van de Awb van openbare orde is, in het voorgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op het beroep tegen bestreden besluit 1. De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het bestreden besluit 1 beoordelen.

4.2. Appellante heeft aangevoerd dat de woning aan haar vader toebehoorde. Hij heeft de woning op haar naam laten zetten om te voorkomen dat zijn nieuwe partner daarop aanspraak kon maken. Appellantes vader is samen met deze partner in de woning blijven wonen. Het gaat om gebonden vermogen. Zo appellante dit al te gelde zou kunnen maken, dan moet zij de opbrengst delen met haar drie broers en haar zuster.

4.3. Vaststaat dat in de periode hier in geding in het kadaster van Curaçao de woning op naam van appellante stond. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover betrokkene daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is daarin niet geslaagd, nu zij haar stelling dat de betreffende woning aan haar vader toebehoorde niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. Uit de door appellante gestelde omstandigheid dat haar vader met zijn partner in de woning verblijven, vloeit evenmin voort dat appellante ten tijde van belang niet redelijkerwijs over de woning kon beschikken. Ook slaagt het betoog van appellante niet dat zij bij eventuele verkoop van de woning de opbrengst moet delen, nu zij als enig eigenaar staat geregistreerd.

4.4. Gelet op de door appellante niet bestreden waarde van de woning, vloeit uit hetgeen onder 4.3 is overwogen voort, dat appellante van 10 januari 2008 tot en met 27 september 2009 beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen, zodat zij die periode geen recht had op bijstand. Dat betekent dat het college bevoegd was om de aan appellante over de periode van 10 januari 2008 tot en met 27 september 2009 verleende bijstand in te trekken. Appellante heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden. Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 dient dus ongegrond te worden verklaard.

Bestreden besluit 2

4.5. Appellante heeft aangevoerd dat zij voor de in 1.3 vermelde transactie, in haar visie slechts verricht als dienstverlening aan een broer van de begunstigde, een geringe vergoeding heeft gekregen.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de maand december 2007 een financiële transactie heeft verricht en dat zij daarvoor een vergoeding heeft ontvangen. Door daarvan geen melding te maken bij het college heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.7. Daarin is appellante niet geslaagd. Appellante heeft haar stelling over geringe hoogte van de door haar de door haar ontvangen vergoeding niet met objectieve en controleerbare gegevens onderbouwd. Daarbij komt dat appellante niet consistent over de hoogte van de vergoeding heeft verklaard, zij heeft bedragen genoemd variërend van € 20,-- tot € 30,--.

4.8. Uit 4.6 en 4.7 vloeit voort dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellante over de maand december 2007 verleende bijstand in te trekken. Appellante heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden. Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking voor zover deze betrekking heeft op het beroep tegen bestreden besluit 2.

5. Het verzoek van appellante om vergoeding van schade wordt afgewezen, omdat de beide bestreden besluiten in rechte stand houden.

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 944,-- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het beroep tegen het besluit van 30 juli 2010 (bestreden besluit 1);

-verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juli 2010 (bestreden besluit 1) ongegrond;

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

-wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 944,--;

-bepaalt dat het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD