Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
11-4706 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor appellantes aandeel in de kosten van de uitvaart van haar zus. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ten tijde van het nemen van het bestreden besluit haar aandeel in de nalatenschap van haar zus inmiddels had verworpen. Dit betekent dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd niet zien op noodzakelijke kosten. Het betreft immers geen kosten van appellante zelf en deze kosten moeten geacht worden nooit voor haar rekening te zijn gekomen omdat zij geacht wordt nooit erfgenaam te zijn geweest. Beroep op dringende redenen kan niet slagen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 13
Wet werk en bijstand 35
Wet werk en bijstand 49
Burgerlijk Wetboek Boek 4
Burgerlijk Wetboek Boek 4 190
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/28
RSV 2013/104 met annotatie van H. van Deutekom
USZ 2013/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4706 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 juli 2011, 10/3234 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

Datum uitspraak 8 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 27 november 2012. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was ten tijde in geding gehuwd en haar echtgenoot ontving een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten met toeslag.

Op 29 januari 2010 heeft zij bijzondere bijstand aangevraagd voor haar aandeel in de kosten van de uitvaart van haar zus. Deze zus, die niet over eigen middelen beschikte en geen uitvaartverzekering had afgesloten, is [in] 2010 overleden en op 27 januari 2010 begraven. Appellante heeft een derde deel van de totale kosten (€ 5.586,15) voor haar rekening genomen, tweederde deel is door haar ouders betaald. Bij besluit van 9 maart 2010 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat inmiddels reeds in de kosten was voorzien, zodat zij niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

1.2. Bij besluit van 26 augustus 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 9 maart 2010, met wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college, samengevat, het standpunt ingenomen dat appellante de nalatenschap van haar zus heeft verworpen, zodat de kosten niet tot haar noodzakelijke bestaanskosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) kunnen worden gerekend. Voor zover al sprake zou zijn van een schuld is die onvoldoende aangetoond en overigens ontbreken zeer dringende redenen in de zin van artikel 49 van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft allereerst terecht overwogen dat de kosten van een uitvaart volgens vaste rechtspraak niet behoren tot de noodzakelijke kosten van de overledene zelf, maar deel uitmaken van de passiva van de nalatenschap. Deze kosten komen voor rekening van de erfgenamen, die ieder voor zich en op persoonlijke titel bijzondere bijstand kunnen aanvragen, voor zover hun erfdeel niet toereikend is en het hen aan middelen ontbreekt om hun aandeel in de kosten te voldoen (CRvB 20 mei 2008, LJN BD2365).

4.2. Appellante heeft aangevoerd dat zij op het tijdstip dat zij haar aandeel in de kosten heeft betaald nog erfgenaam was, zodat de gevraagde bijzondere bijstand wel betrekking heeft op noodzakelijke bestaanskosten van haarzelf. Dat zij de nalatenschap korte tijd later heeft verworpen, doet daaraan volgens haar niet af. De Raad kan dit standpunt niet volgen.

4.3. Allereerst vloeit uit artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voort dat op het bezwaar dient te worden beslist met inachtneming van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden. Daarom moeten feiten en omstandigheden die tijdens de bezwaarschriftprocedure naar voren zijn gekomen en die een ander licht werpen op de toestand zoals die was op de datum waarop om bijstand is verzocht bij de heroverweging in bezwaar in beschouwing worden genomen. Voorts staat artikel 7:11 van de Awb er volgens vaste rechtspraak niet aan in de weg om in bezwaar een besluit te handhaven op een andere grond dan die waarop het primaire besluit steunt, aangezien de bezwaarprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging (CRvB 12 oktober 2010, LJN BO1986).

4.4. Ingevolge artikel 4:190, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek is een eenmaal gedane keuze tot verwerping van een nalatenschap onherroepelijk en werkt deze terug tot het openvallen der nalatenschap. Een aanvaarding of verwerping kan niet op grond van dwaling, noch op grond van benadeling van een of meer schuldeisers worden vernietigd.

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ten tijde van het nemen van het bestreden besluit haar aandeel in de nalatenschap van haar zus inmiddels had verworpen. Dit betekent dat, gelet op wat in 4.3 en 4.4 is overwogen, de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd niet zien op noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het betreft immers geen kosten van appellante zelf en deze kosten moeten geacht worden nooit voor haar rekening te zijn gekomen omdat zij geacht wordt nooit erfgenaam te zijn geweest. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel.

4.6. Dat appellante zich moreel verplicht voelde om haar aandeel in de betaling van de kosten van de uitvaart te leveren leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat appellante het bestaan van beweerdelijke schulden en/of een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting niet met objectieve verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt. Ook in hoger beroep zijn geen nadere (bewijs)stukken meer in het geding gebracht. Reeds daarom kan het beroep op zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49 van de WWB, om in afwijking van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB niettemin bijzondere bijstand te verlenen, niet slagen.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M. Sahin

RB