Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
11-3374 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning bijstand met terugwerkende kracht. Geen aanknopingspunten voor het bestaan van een acute noodsituatie en/of levensbedreigende omstandigheden ten tijde in geding. Voorts blijkt uit de stukken dat de moeder van appellante ten tijde in geding feitelijk in de noodzakelijke bestaanskosten van appellante heeft voorzien. Geen sprake van zeer dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3374 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 april 2011, 10/2147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

Datum uitspraak 8 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Nadien heeft mr. drs. T. Bissessur, advocaat, zich als gemachtigde gesteld en aanvullende gronden aangevoerd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2012. Voor appellante is mr. drs. Bissessur verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. van der Heiden.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1983, ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Voor haar golden onverkort de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Bij brief van 26 maart 2009 heeft het college aan appellante toestemming verleend om van 30 maart 2009 tot en met

20 april 2009 met behoud van bijstand in het buitenland te verblijven. Bij besluit van 3 juni 2009 is de bijstand ingetrokken met ingang van 21 april 2009 omdat appellante langer dan toegestaan in het buitenland (India) verbleef. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.2. Na terugkeer in Nederland heeft appellante zich eind juli 2009 gemeld om algemene bijstand bij de Werkbedrijf-vestiging van het UWV met als gewenste ingangsdatum 1 april 2009. Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het college aan appellante met ingang van 31 juli 2009 bijstand toegekend.

1.3. Bij besluit van 22 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen de in het besluit van 27 oktober 2009 genoemde ingangsdatum van 31 juli 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

1.4. Bij tussenuitspraak van 29 september 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat zij (nog) niet beschikt over een medisch oordeel van een arts over de door appellante overgelegde medische stukken, zodat niet beoordeeld kan worden of sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB. Het college is daarbij in de gelegenheid gesteld om dat zorgvuldigheidsgebrek te herstellen. In dat kader heeft het college de GGD Zuid-Holland West (GGD) gevraagd de voorhanden medische stukken met betrekking tot haar langdurig verblijf in India te beoordelen en appellante uit te nodigen voor een gesprek/onderzoek. De GGD heeft appellante tweemaal uitgenodigd. De eerste maal heeft zij zich een dag tevoren telefonisch afgemeld. Op de tweede afspraak is appellante zonder bericht van verhindering niet verschenen, waarna de GGD het dossier weer aan het college heeft teruggezonden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek aldus voldoende heeft hersteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Zij beoogt alsnog algemene bijstand te verkrijgen over de periode van 1 april 2009 tot en met 30 juli 2009.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft betoogd dat de arbeidsverplichtingen door haar ziekte in India feitelijk hadden moeten worden opgeschort, zodat zij in plaats van vier weken recht had op dertien weken verblijf in het buitenland met behoud van bijstand. Wat daarvan zij, het besluit van 3 juni 2009 waarbij de bijstand met ingang van 21 april 2009 is ingetrokken is in rechte onaantastbaar geworden, zodat deze grond reeds daarom geen doel treft.

4.2. De Raad ziet voorts, ambtshalve oordelend, aanleiding de in dit geding te beoordelen periode van 1 april 2009 tot en met 30 juli 2009 in drie tijdvakken op te splitsen.

Periode van 1 tot en met 20 april 2009

4.3. Over deze periode is aan appellante voorheen reeds algemene bijstand verleend en uitbetaald. Aangezien over eenzelfde tijdvak niet tweemaal aanspraak op bijstand kan worden gemaakt, faalt het hoger beroep voor zover dit ziet op deze periode.

Periode van 21 april 2009 tot en met 3 juni 2009

4.4. Over deze periode heeft reeds besluitvorming plaatsgevonden, omdat bij het intrekkingsbesluit van 3 juni 2009 de periode van 21 april 2009 tot en met 3 juni 2009 is beoordeeld. In een dergelijk geval ligt het op de weg van de aanvrager nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te voeren op grond waarvan er voor het bestuursorgaan aanleiding moet zijn van zijn eerdere besluitvorming terug te komen. Wat in dit verband, nader en ongedocumenteerd, over de toenmalige gezondheidssituatie van appellante is gesteld had ook destijds reeds kunnen worden aangevoerd, zodat reeds hierom geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Het hoger beroep, voor zover dit ziet op deze periode, faalt daarom evenzeer.

Periode van 4 juni 2009 tot en met 30 juli 2009

4.5. Voor deze periode gaat het om een aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht, waarbij naar vaste rechtspraak sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden die de terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690).

Daargelaten of appellante buiten staat is geweest zelf of met behulp van derden tijdig een aanvraag om bijstand in te dienen, zou zij onder de gegeven omstandigheden - tijdens haar verblijf in India - slechts recht op bijstand hebben indien sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. De voorhanden medische gegevens van 14 mei 2009 en 24 juli 2009 uit India bieden geen aanknopingspunten voor het bestaan van een acute noodsituatie en/of levensbedreigende omstandigheden ten tijde in geding en duiden evenmin op een absoluut beletsel om te reizen. Voorts blijkt uit de stukken dat de moeder van appellante ten tijde in geding feitelijk in de noodzakelijke bestaanskosten van appellante heeft voorzien. Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB is dan ook geen sprake. Ook ten aanzien van deze periode treft het hoger beroep daarom geen doel.

5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M. Sahin

RB