Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
12-470 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. De in hoger beroep aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot het oordeel dat het inzichtelijk en overtuigend gemotiveerde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onjuist zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/470 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 november 2011, 11/4803 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 16 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Samama, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 18 september 2007 uitgevallen voor zijn werk als schoonmaker vanwege psychische klachten. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 15 september 2009 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedroeg. Appellant heeft zich per 9 februari 2011 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant op 24 maart 2011 het spreekuur bezocht van verzekeringsarts E.N. Ali. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant per

9 februari 2011 geschikt is te achten voor de eerder bij de Wet WIA-beoordeling geduide functies. Bij besluit van 25 maart 2011 heeft het Uwv dienovereenkomstig appellant per 9 februari 2011 ziekengeld geweigerd.

1.2. Na een herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts A. Mirza heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 maart 2011 bij besluit van 20 mei 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de lichamelijke klachten en zijn onvrede over het verloop van zijn werkzame leven leiden tot een toename van de psychische klachten. Deze verslechtering wordt volgens appellant door de behandelend sector onderschreven. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere informatie overgelegd van zijn behandelend psycholoog drs. A. Boschman van 16 november 2012.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Er bestaat geen aanleiding het door de betrokken verzekeringsartsen uitgevoerde medische onderzoek voor onzorgvuldig te houden. Daarbij is van belang dat verzekeringsarts Ali appellant op het spreekuur van 24 maart 2011 heeft onderzocht en daarbij op de hoogte was van het feit dat appellant onder behandeling stond bij een psycholoog. Op grond van dit onderzoek is Ali tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een toename van de beperkingen ten opzichte van de eerdere beoordeling in het kader van de Wet WIA.

4.4. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts Mirza het dossier bestudeerd en appellant op het spreekuur van 2 mei 2011 onderzocht. Bij de beoordeling heeft de bezwaarverzekeringsarts ook de opgevraagde informatie van psycholoog Boschman van 18 mei 2011 betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 20 mei 2011 te kennen gegeven dat met de agressieregulatieproblematiek en de persoonlijkheidsstoornis bij de eerdere WIA-beoordeling al in voldoende mate rekening is gehouden. De informatie die is verkregen van de psycholoog meldt in dat opzicht volgens Mirza niets nieuws en geen duidelijke verergering van de psychische klachten per 9 februari 2011. Nu de geduide functies psychisch niet belastend zijn vanwege de minimale persoonlijke invulling en daarbij sprake is van eenvoudige, voorspelbare, goed gestructureerde en afgebakende arbeid met een overmaat aan duidelijkheid, was appellant volgens de bezwaarverzekeringsarts ook op en na 9 februari 2011 geschikt voor zijn arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW.

4.5. In de in beroep overgelegde informatie van klinisch psycholoog drs. M.M.H. Lub-Moss heeft bezwaarverzekeringsarts R. Blanker geen aanleiding gezien om terug te komen van dit standpunt. Uit de informatie van de klinisch psycholoog blijkt dat appellant vanwege psychisch bepaalde darmklachten protocollair is behandeld met hypnotherapie en cognitieve gedragstherapie. Vanwege opgelopen spanningsklachten is de aangeboden behandeling gestaakt omdat appellant zelf bang was dat hij zijn impulscontrole zou verliezen. Deze klachten waren bij appellant al eerder bekend en hiermee is volgens Blanker bij de eerdere WIA-beoordeling al in voldoende mate rekening gehouden.

4.6. De in hoger beroep aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot het oordeel dat het inzichtelijk en overtuigend gemotiveerde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onjuist zou zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat de overgelegde informatie van Boschman van 16 november 2012 in essentie niet afwijkt van de eerder bij de bezwaarverzekeringsarts bekende informatie van Boschman van 18 mei 2011. De grond dat de behandelend sector de door appellant aangevoerde verslechtering in zijn medische toestand onderschrijft faalt daarom.

5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot het vergoeden van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) I.J. Penning

JL