Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
11-1503 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de inlichtingenverplichting geschonden, door niet tijdig te melden dat hij niet meer op het uitkeringsadres woonachtig is. Het standpunt van betrokkene dat hij al in december 2008 zijn zwervend bestaan bij appellant had gemeld, is niet juist. Betrokkene heeft wel meegedeeld dat hij regelmatig uithuizig was, maar heeft toen tevens ten onrechte gezegd dat hij vier tot vijf nachten per week in [woonplaats] verblijft. Appellant heeft zich terecht bevoegd geacht de bijstand van betrokkene in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1503 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 januari 2011, 10/1185 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (appellant)

[A. te B.]

Datum uitspraak 15 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. U. van Ophoven een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door B.L. Heijs. Voor betrokkene is, zoals tevoren bericht, niemand verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving vanaf 1 november 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij zijn aanvraag om bijstand heeft hij het adres [adres 1] in [woonplaats] (uitkeringsadres) als woonadres opgegeven.

1.2. Vanwege het vermoeden van het onrechtmatig ontvangen van bijstand door betrokkene, heeft de Sociale Recherche Frysl?n (Srf) een onderzoek ingesteld. In dat kader heeft de Srf onder meer dossieronderzoek gedaan, diverse registers geraadpleegd, verscheidene personen, waaronder buren van het uitkeringsadres, als getuigen gehoord, een huisbezoek op het uitkeringsadres gedaan en betrokkene verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport gedateerd 30 december 2009. De resultaten van het onderzoek zijn voor appellant aanleiding geweest bij besluit van 25 januari 2010, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juni 2010 (bestreden besluit), de bijstand van betrokkene met ingang van 14 juli 2008 in te trekken en de over de periode van 14 juli 2008 tot en met 31 december 2009 gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 19.408,-- van betrokkene terug te vorderen. Appellant heeft daartoe overwogen, kort gezegd, dat uit de onderzoeksresultaten is gebleken dat betrokkene vanaf 14 juli 2008 niet woonachtig was op het uitkeringsadres, waarvan hij ten onrechte geen mededeling had gedaan aan appellant, en dat daardoor niet kan worden vastgesteld of betrokkene recht op bijstand had van appellant.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Volgens de rechtbank was appellant niet bevoegd tot intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode in geding, omdat betrokkene zijn inlichtingenverplichting niet had geschonden. Weliswaar kan, aldus de rechtbank, geconstateerd worden dat betrokkene veel uithuizig was, maar niet dat hij zijn woonstede in [woonplaats] heeft willen prijsgeven.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de verklaringen van betrokkene, bezien in samenhang met de overige onderzoeksresultaten, is af te leiden dat betrokkene niet woont op het uitkeringsadres en dat hij, door dat niet te melden, de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Uit de verklaringen die betrokkene eind december 2009 tegenover de Sfr heeft afgelegd, en die door hem zijn ondertekend, blijkt dat betrokkene sedert de zomer van 2008 een zwervend bestaan heeft. Hij slaapt volgens zijn verklaring soms in zijn camper, die in een loods in [naam gemeente] staat, soms in zijn VW Transporter, waarin een matras ligt, maar ook wel bij zijn zoon in [gemeente 2] of zijn dochter in [gemeente 3]. Zijn woning op het uitkeringsadres is een soort pakhuis en wordt niet meer daadwerkelijk bewoond. Zijn sociale leven speelt zich volgens betrokkene niet af in [woonplaats]. Er bestaan geen aanknopingspunten betrokkene niet aan deze verklaringen te houden. De verklaringen van betrokkene worden ondersteund door de bevindingen van het huisbezoek op het uitkeringsadres. Daaruit is naar voren gekomen dat de woning als pakhuis wordt gebruikt, dat in de slaapkamer van de woning niet een bed horizontaal kan worden geplaatst, dat zich in de koelkast geen levensmiddelen bevonden en in de diepvries alleen bakken met schepijs, met daarop veel rijp. Verder blijkt uit de verklaringen die de buren van het uitkeringsadres eind december 2009 tegenover de Srf hebben afgelegd dat betrokkene sedert twee jaar dan wel sedert anderhalf jaar alleen maar kortdurend de auto op de oprit parkeert, de woning binnengaat en dan weer vertrekt. Voorts heeft appellant via de gemeentelijke afvalregistratie geconstateerd dat betrokkene, anders dan voorheen, sedert medio juli 2008 geen container met restafval ter lediging heeft aangeboden.

4.2. Gelet op al deze bevindingen, in onderling verband bezien, heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene vanaf 14 juli 2008 niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Het standpunt van betrokkene dat appellant zijn besluitvorming niet mede mocht baseren op de resultaten van de waarnemingen bij zijn woning kan daarom buiten bespreking blijven.

4.3. Het oordeel van de rechtbank dat niet gebleken is dat betrokkene zijn woonstede heeft prijsgegeven, wordt dan ook niet gedeeld. Betrokkene heeft, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de inlichtingenverplichting geschonden, door niet tijdig te melden dat hij niet meer op het uitkeringsadres woonachtig is. Het standpunt van betrokkene dat hij al in december 2008 zijn zwervend bestaan bij appellant had gemeld, is niet juist. Betrokkene heeft wel meegedeeld dat hij regelmatig uithuizig was, maar heeft toen tevens ten onrechte gezegd dat hij vier tot vijf nachten per week in [woonplaats] verblijft.

4.4. Uit 4.2 tot en met 4.3 volgt dat appellant zich terecht bevoegd heeft geacht de bijstand van betrokkene met ingang van 14 juli 2008 in te trekken. Betrokkene heeft het gebruikmaken door appellant van de intrekkingsbevoegdheid en de terugvordering niet zelfstandig bestreden. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 11 juni 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

RH