Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
11-2222 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstand. Geen concrete aanwijzing dat appellant eerder de aanvraag heeft ingediend. Niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een zodanige onvoorziene financiële noodsituatie dat hij niet in staat was tijdig naar Nederland te reizen om tijdens het geplande gesprek de aanvraag in te dienen. Het valt appellant te verwijten dat de aanvraag eerder is ingediend. De gevolgen daarvan komen voor zijn rekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2222 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 maart 2011, 10/279 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

Datum uitspraak 15 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.F. Briedé, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Briedé. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. C.A.J. Westerterp.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 19 juni 2009 werkloos geworden en kwam niet in aanmerking voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Op 29 juni 2009 heeft appellant zich gemeld voor bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij brief van 30 juni 2009 heeft de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling Werk en Inkomen van de gemeente Enschede (DMO) appellant uitgenodigd voor een gesprek op 10 augustus 2009 in verband met een aanvraag en door hem in te leveren bewijsstukken. Bij het vaststellen van die datum is rekening gehouden met de door appellant voorgenomen vakantie. Appellant heeft op 1 juli 2009 telefonisch verzocht om in verband met zijn vakantie in Marokko, van 15 juli 2009 tot 15 augustus 2009, een nieuwe afspraak te maken. Bij brief van 3 juli 2009 heeft de DMO aan dit verzoek voldaan en appellant uitgenodigd voor een gesprek op 17 augustus 2009. Op 17 augustus 2009 is appellant zonder bericht niet verschenen. Appellant bevond zich toen nog in Marokko. Appellant heeft verklaard dat hij wegens financiële problemen eerst op 3 september 2009 weer in Nederland is teruggekeerd. Appellant heeft zich op 7 september 2009 tot de DMO gewend om bijstand aan te vragen.

1.2. Bij besluit van 18 september 2009 heeft het college appellant met ingang van 7 september 2009 bijstand ingevolge de WWB verleend.

1.3. Bij besluit van 1 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de in het besluit van 18 september 2009 opgenomen ingangsdatum van de bijstand, ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant zich op 7 september 2009 heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Daarbij is voorts in aanmerking genomen dat appellant in de gelegenheid is gesteld op 17 augustus 2009 een aanvraag in te dienen, dat hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt en dat dit hem te verwijten valt. Daarom moet volgens het college 7 september 2009 als datum van melding worden aangemerkt, zodat de bijstand niet eerder dan met ingang van die dag kan ingaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust omdat ten onrechte 7 september 2009 is aangemerkt als meldingsdatum in plaats van 29 juni 2009. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de ingangsdatum evenwel terecht op 7 september 2009 vastgesteld omdat appellant de aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend nadat hij zich heeft gemeld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand zijn gelaten. Appellant beoogt bijstand te ontvangen met ingang van 29 juni 2009. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op die dag tevens een aanvraag heeft ingediend en dat hij, gelet op de datum van ondertekening van het beschikbare aanvraagformulier, in elk geval op 7 juli 2009 een aanvraag heeft ingediend. Voorts heeft appellant zowel de brief van 30 juni 2009 als de brief van 3 juli 2009 met daarin de uitnodiging voor een gesprek op 17 augustus 2009, niet ontvangen. Ten slotte heeft appellant onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 september 2005, LJN AU4079, zich er op beroepen dat in de brief van 3 juli 2009 niet is gewezen op de mogelijke gevolgen in het geval appellant niet zou verschijnen en dat appellant ook niet is uitgenodigd om zijn verzuim te herstellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WWB wordt, indien het door college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, het college, in afwijking van het eerste lid, kan besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.

4.2. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat op 29 juni 2009 behalve een melding ook een aanvraag om bijstand heeft plaatsgevonden. Niet gebleken is dat appellant toen al beschikte over een aanvraagformulier met de desbetreffende bewijsstukken. Appellant is op 10 augustus 2009 en in verband met zijn vakantie vervolgens op 17 augustus 2009 in de gelegenheid gesteld een aanvraagformulier in te vullen en met de gevraagde bewijsstukken in te dienen. Onder de stukken bevindt zich weliswaar een aanvraagformulier, met de datum van 7 juli 2009, maar daaruit kan op zichzelf niet worden afgeleid dat de aanvraag ook op die datum is ingediend. Enige concrete aanwijzing dat appellant de aanvraag op 7 juli 2009 heeft ingediend, ontbreekt.

4.3. Dat appellant de brief van 30 juni 2009 niet heeft ontvangen, is pas ter zitting van de rechtbank door appellant naar voren gebracht. Nog daargelaten of het aldus gestelde appellant zou kunnen baten, is deze stelling niet aannemelijk, nu appellant daags na dagtekening van deze brief heeft verzocht om de afspraak te verzetten en dus niet te laten plaatsvinden op de in deze brief vermelde datum. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij de uitnodiging voor 17 augustus 2009 niet heeft ontvangen. Die uitnodiging is aan het juiste adres gericht, terwijl appellant volgens zijn opgave en zijn mededelingen toen nog niet met vakantie was. Bovendien wordt in de brief van 3 juli 2009 de reeds gemaakte afspraak voor het gesprek op 17 augustus 2009 enkel bevestigd.

4.4. Appellant stelt eerst op 3 september 2009 in Nederland te zijn teruggekeerd omdat hij niet eerder over de financiële middelen voor de terugreis per auto zou hebben beschikt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een zodanige onvoorziene financiële noodsituatie dat hij niet in staat was tijdig naar Nederland te reizen om tijdens het geplande gesprek op 17 augustus 2009 de aanvraag in te dienen. Hij heeft ook niet telefonisch contact opgenomen met de DMO met het verzoek om de afspraak van 17 augustus 2009 te verzetten. Het valt appellant dan ook te verwijten dat de aanvraag niet op 17 augustus 2009 is ingediend. De gevolgen daarvan komen voor zijn rekening.

4.5. Ten slotte kan het beroep van appellant op de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 september 2005, LJN AU4079, hem niet baten, reeds omdat het in die zaak, anders dan in dit geval, een wettelijk voorgeschreven hersteltermijn ter zake van een reeds lopende uitkering betreft. Van een vergelijkbaar geval is dan geen sprake.

4.6. Uit het onder 4.1 tot en met 4.5 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

NK