Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
11/5533 WW + 11/5534 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering aan teveel ontvangen voorschot. Inkomsten als zelfstandige. Geen beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5533 WW, 11/5534 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 16 augustus 2011, 10/1062 en 11/59 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.D. Willemsen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willemsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft bij besluit van 6 oktober 2006 van het Uwv toestemming gekregen om gedurende de periode van 30 oktober 2006 tot en met 29 april 2007 met behoud van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) werkzaamheden te verrichten om van start te gaan met een eigen bedrijf. Daarbij is bepaald dat de WW-uitkering tijdens de startperiode doorloopt, dat 70% van de inkomsten als zelfstandige op die uitkering in mindering wordt gebracht, dat de uitkering gedurende de startperiode als voorschot wordt betaald en dat na de startperiode een verrekening zal plaatsvinden. Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant, gezien zijn inkomsten als zelfstandige, een te hoog voorschot heeft ontvangen en een bedrag van € 4.782,70 moet terugbetalen. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 2 maart 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Op 30 maart 2010 heeft het Uwv (wederom) aan appellant verzocht om financiële gegevens toe te sturen, opdat de definitieve WW-uitkering zou kunnen worden vastgesteld. In vervolg hierop heeft het Uwv bij besluit van 28 april 2010 vastgesteld dat appellant niets terug behoefde te betalen, omdat zijn inkomsten in de startperiode gelijk waren aan het betaalde voorschot WW-uitkering. Op 10 juni 2010 heeft een medewerker van het Uwv telefonisch contact opgenomen met appellant, waarbij hij met diens echtgenote heeft gesproken. Haar is medegedeeld dat in het besluit van 28 april 2010 abusievelijk geen rekening is gehouden met de ondernemersaftrek, dat de aanvankelijke terugvordering juist was en is excuus aangeboden. Hierna heeft de gemachtigde van appellant het Uwv bij brieven van 24 juni 2010 gevraagd om een bevestiging dat wordt uitgegaan van het besluit van 28 april 2010 en dat appellant niets behoeft terug te betalen. Als reactie hierop heeft het Uwv het besluit van 28 april 2010 bij brief van 28 juni 2010 ingetrokken. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 21 juli 2010 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het Uwv meende dat de brief van 28 juni 2010 geen besluit behelsde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, geoordeeld dat de brief van 28 juni 2010 moet worden gezien als een intrekking van het besluit van 28 april 2010 en daarom op rechtsgevolg is gericht. Hieraan heeft de rechtbank de conclusie verbonden dat het Uwv het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit daarom gegrond verklaard en zij heeft dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2010 ontvankelijk en ongegrond verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank overwoog daartoe in rechtsoverweging 2.4.4 dat de intrekking van het besluit van 28 april 2010 niet in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel, noch met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank nam daarbij in aanmerking dat appellant niet heeft betwist dat het besluit van het Uwv van 28 april 2010 op een vergissing van het Uwv berustte en dat het Uwv in beginsel bevoegd is een vergissing te herstellen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gericht tegen rechtsoverweging 2.4.4 van de aangevallen uitspraak en betwist dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het standpunt van het Uwv dat het besluit van 28 april 2010 op een vergissing berustte. Appellant heeft gesteld dat het besluit van 28 april 2010 een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging bevat, die is gedaan nadat hij naar aanleiding van het besluit van 2 maart 2010 telefonisch contact had opgenomen met het Uwv, waarin hij te kennen had gegeven zich niet te kunnen verenigen met dat besluit. Appellant acht de intrekking van die toezegging, ook al is die toezegging ten onrechte gedaan, in strijd met de algemene beginselen van rechtszekerheid en vertrouwen. Verder heeft appellant aangevoerd dat de hele gang van zaken vanaf 30 maart 2010 zoals hiervoor is geschetst, inclusief een aantal telefoongesprekken en de tot driemaal toe gedane terugbetaling door het Uwv van de door appellant al gedane aflossingen, het Uwv juist aanleiding had moeten geven om het besluit van 28 april 2010 niet in te trekken. Tot slot heeft appellant de verrekeningssystematiek aangevochten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de brief van 28 juni 2010 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is dan ook terecht ontvankelijk verklaard.

4.2. Anders dan de rechtbank, wordt geoordeeld dat appellant wel heeft betwist dat het besluit van 28 april 2010 en de terugbetaling van de afgeloste bedragen op een vergissing berustten. De in het beroepschrift aan de rechtbank, dat was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, verwoorde stelling van appellant dat het aan het besluit van 28 april 2010 voorafgegane telefonische contact en de terugbetalingen aan hem van de gedane aflossingen erop wijzen dat op hem geen terugbetalingsverplichting meer rustte, en de betwisting door appellant ter zitting van de rechtbank dat hij de onregelmatigheid van het besluit van 28 april 2010 had moeten onderkennen, moeten worden gezien als een betwisting van het standpunt van het Uwv dat het besluit van 28 april 2010 op een vergissing berustte.

4.3. Vastgesteld kan worden dat het Uwv, nadat hij bij besluit van 2 maart 2010 de terugvordering van € 4.782,70 aan teveel ontvangen voorschot had gehandhaafd, appellant bij brief van 30 maart 2010 ten onrechte opnieuw om gegevens heeft gevraagd ten behoeve van de definitieve vaststelling van diens WW-uitkering. Hierover is bij het besluit van

28 april 2010 ten onrechte opnieuw beslist. Bij het besluit van 28 april 2010 is bovendien ten onrechte geen rekening gehouden met de ondernemersaftrek, die tot het in aanmerking te nemen inkomen te rekenen valt. Vervolgens heeft het Uwv drie door appellant gedane aflossingen van € 100,- aan appellant terugbetaald. Uit de brieven die de gemachtigde van appellant op 24 juni 2010 aan het Uwv heeft gestuurd blijkt dat appellant in verwarring is gebracht door de handelwijze van het Uwv. Dit is alleszins begrijpelijk, maar op zichzelf onvoldoende om een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel te honoreren. Daarvoor is vereist dat de in het besluit van 28 april 2010 vervatte toezegging bij appellant gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt en dat die toezegging gedragsbepalend is geweest. Zo al van gerechtvaardigde verwachtingen kan worden gesproken zijn die niet gedragsbepalend geweest, zo heeft appellant ter zitting van de Raad bevestigd.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad komt niet toe aan bespreking van de verrekeningssystematiek, nu het besluit van 2 maart 2010 in rechte vast staat. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en J.J.T. van den Corput en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) H.J. Dekker

TM